
Silvia de Groot (foto: Henk Schotel)
AGENTS OF THEIR OWN EMANCIPATION. Topics in the History of Surinam Maroons. Silvia W. de Groot. Amsterdam, 2009. ISBN 978-90-814155-1-4.

Omslag : Gezicht op het weglopersdorp Mi Sa Lasi (Suriname), 1772
Afgelopen mei verscheen een prachtige bundel met artikelen van dr. Silvia W. de Groot over de geschiedenis van de marrons van Suriname. De bundel bestaat uit een selectie van artikelen die eerder in wetenschappelijke tijdschriften werden gepubliceerd. Silvia de Groot, 90 jaar oud, is de grand Dame van de Surinaamse geschiedschrijving. Begin dit jaar werd ze door President Venetiaan benoemd tot Officier in de Ereorde van de Gele Ster. Vanaf begin jaren '60 van de vorige eeuw publiceerde Silvia de Groot een groot aantal boeken. Het bekendst is haar proefschrift uit 1969 Djuka Society and Social Change. History of an Attempt to Develop a Bush Negro Community in Surinam (1917-1926). De talloze artikelen die zij over Suriname schreef verschenen veelal in buitenlandse tijdschrijften en waren daardoor niet eenvoudig te vinden. Door deze nieuwe bundel zijn een groot aantal daarvan nu binnen handbereik.
De titel van het boek, ontleend aan een artikel dat in 1985 verscheen (Abolition and its Aftermath - The Historical Context 1790-1916), verwijst naar het feit dat de van de plantages weggelopen slaven zelf hun bevrijding bevochten hebben. Zij verkregen hun vrijheid door hun moed. De gemeenschappen die zij in de binnenlanden van Suriname stichtten trotseerden talloze militaire aanvallen van de koloniale machthebbers en hielden tot de dag van vandaag stand. De marrons kregen in feite al formeel hun vrijheid door een vredesverdrag in 1760. Pas meer dan honderd jaar later (1863) werd de slavernij in Suriname afgeschaft.
Carl Haarnack
Afgelopen mei verscheen een prachtige bundel met artikelen van dr. Silvia W. de Groot over de geschiedenis van de marrons van Suriname. De bundel bestaat uit een selectie van artikelen die eerder in wetenschappelijke tijdschriften werden gepubliceerd. Silvia de Groot, 90 jaar oud, is de grand Dame van de Surinaamse geschiedschrijving. Begin dit jaar werd ze door President Venetiaan benoemd tot Officier in de Ereorde van de Gele Ster. Vanaf begin jaren '60 van de vorige eeuw publiceerde Silvia de Groot een groot aantal boeken. Het bekendst is haar proefschrift uit 1969 Djuka Society and Social Change. History of an Attempt to Develop a Bush Negro Community in Surinam (1917-1926). De talloze artikelen die zij over Suriname schreef verschenen veelal in buitenlandse tijdschrijften en waren daardoor niet eenvoudig te vinden. Door deze nieuwe bundel zijn een groot aantal daarvan nu binnen handbereik.
De titel van het boek, ontleend aan een artikel dat in 1985 verscheen (Abolition and its Aftermath - The Historical Context 1790-1916), verwijst naar het feit dat de van de plantages weggelopen slaven zelf hun bevrijding bevochten hebben. Zij verkregen hun vrijheid door hun moed. De gemeenschappen die zij in de binnenlanden van Suriname stichtten trotseerden talloze militaire aanvallen van de koloniale machthebbers en hielden tot de dag van vandaag stand. De marrons kregen in feite al formeel hun vrijheid door een vredesverdrag in 1760. Pas meer dan honderd jaar later (1863) werd de slavernij in Suriname afgeschaft.
Deze bundel is in beperkte oplage verschenen en kost eur17,50. Te bestellen via: surinamica@gmail.com
![]() | Liber Amicorum Silvia de Groot studeerde aan de Universiteit van Utrecht antropologie, geschiedenis, sociale geografie en sociologie. In 1949 behaalde zij haar doctoraal examen. Haar proefschrift Djuka Society
and Social Change(1969) wordt nog steeds beschouwd als een onmisbaar standaardwerk voor iedereen die belangstelling heeft van de geschiedenis en cultuur van de marrons.
Silvia de Groot heeft decennia lang baanbrekend historisch onderzoek gedaan naar de Surinaamse geschiedenis in het algemeen, die van de marron-gemeenschappen in het bijzonder. Zij doceerde aan de vakgroep Nieuwe en Theoretische geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam (UvA). In oktober 1983 nam zij afscheid van de UvA maar ze bleef actief als onderzoeker en publicist.
Op 6 juli 2008 werd de 90e verjaardag van Silvia de Groot groots gevierd in de Muiderkerk in Amsterdam. Ter gelegenheid van deze heugelijke gebeurtenis werd haar een Liber Amicorum aangeboden (zie foto omslag). |
Silvia de Groot werd geboren in 1918. Zij studeerde aan de Universiteit
van Utrecht antropologie, geschiedenis, sociale geografie en sociologie. In 1949 behaalde zij haar doctoraal examen.
Haar proefschrift Djuka Society and Social Change(1969) wordt nog steeds beschouwd als
een onmisbaar standaardwerk voor iedereen die belangstelling
heeft van de geschiedenis en cultuur van de marrons.
Silvia de Groot heeft decennia lang baanbrekend historisch onderzoek gedaan naar de Surinaamse geschiedenis in het algemeen, die van de marron-gemeenschappen in het bijzonder. Zij doceerde aan de vakgroep Nieuwe en Theoretische geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam (UvA). In oktober 1983 nam zij afscheid van de UvA maar ze bleef actief als onderzoeker en publicist.
Vanaf de vroege jaren zestig trok zij, lang voor dat anderen dat deden, de binnenlanden van Suriname in. De onderscheidingen die zij van verschillende Granmans ontving, zeggen veel. Silvia de Groot was bevriend met verschillende Granmans en genoot het vertrouwen van velen. De reis van de Granmans uit de binnenlanden van Suriname die in 1970 de Westkust van Afrika bezochten, werd door haar georganiseerd.
Hier onder volgt de een enorme lijst van publicaties over Suriname die zij op haar naam heeft staan. De Groot behoort tot de groep van toonaangevende wetenschappers die sociologisch, antropologisch en historisch onderzoek naar Suriname hebben gedaan. Zij past in de traditie van academici van het kaliber Wolbers, Herskovits, Van Lier, Voorhoeve en heeft een hele generatie van onderzoekers die na haar kwamen opgeleid en gestimuleerd. Richard & Sally Price, Gert Oostindie en Alex van Stipriaan haakten aan op het historisch onderzoek dat zij voor een belangrijk deel geïnitieerd heeft.
Tenslotte wil ik nog benadrukken dat Silvia de Groot tot op de dag van vandaag nog steeds bezig is met onderzoek en met Suriname. Daarnaast is ze onvermoeibaar bezig onderzoekers, journalisten, docenten en andere geïnteresseerden met raad en daad bij te staan als het gaat om historisch onderzoek in Suriname. Voor wat betreft hetgeen zij voor Suriname-onderzoek heeft gedaan kunnen we geen gelijke vinden.
Silvia de Groot heeft decennia lang baanbrekend historisch onderzoek gedaan naar de Surinaamse geschiedenis in het algemeen, die van de marron-gemeenschappen in het bijzonder. Zij doceerde aan de vakgroep Nieuwe en Theoretische geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam (UvA). In oktober 1983 nam zij afscheid van de UvA maar ze bleef actief als onderzoeker en publicist.
Vanaf de vroege jaren zestig trok zij, lang voor dat anderen dat deden, de binnenlanden van Suriname in. De onderscheidingen die zij van verschillende Granmans ontving, zeggen veel. Silvia de Groot was bevriend met verschillende Granmans en genoot het vertrouwen van velen. De reis van de Granmans uit de binnenlanden van Suriname die in 1970 de Westkust van Afrika bezochten, werd door haar georganiseerd.
Hier onder volgt de een enorme lijst van publicaties over Suriname die zij op haar naam heeft staan. De Groot behoort tot de groep van toonaangevende wetenschappers die sociologisch, antropologisch en historisch onderzoek naar Suriname hebben gedaan. Zij past in de traditie van academici van het kaliber Wolbers, Herskovits, Van Lier, Voorhoeve en heeft een hele generatie van onderzoekers die na haar kwamen opgeleid en gestimuleerd. Richard & Sally Price, Gert Oostindie en Alex van Stipriaan haakten aan op het historisch onderzoek dat zij voor een belangrijk deel geïnitieerd heeft.
Tenslotte wil ik nog benadrukken dat Silvia de Groot tot op de dag van vandaag nog steeds bezig is met onderzoek en met Suriname. Daarnaast is ze onvermoeibaar bezig onderzoekers, journalisten, docenten en andere geïnteresseerden met raad en daad bij te staan als het gaat om historisch onderzoek in Suriname. Voor wat betreft hetgeen zij voor Suriname-onderzoek heeft gedaan kunnen we geen gelijke vinden.
Carl Haarnack
Onderscheidingen dr. Silvia W. de Groot
Winifred Cullis Award, october 1965
I.F.UW. (International Federation of University Women)
V.V.A.O. (Vereniging Vrouwen met Academische Opleiding)
Ordre National du Mérite, februari 1983
Ambassade de France aux Pays Bas dans le cadre de la coopération franco-neérlandaise
Officier in de orde van Oranje Nassau, september 1983
Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen
Gaanta Boni Gaandi, october 1990
Marrongeschiedenis
Gaantangi, october 1992
Bezoek van de Granmans aan Nederland
Gaanman Gazon Matodja Award, 26 mei 2002
Gaanman Gazon Matodja Daa
Officier in de Ereorde van de Gele Ster, 6 februari 2009
President van de Republiek Suriname Ronald Venetiaan

photo: Silvia de Groot
Publications by Silvia de Groot
1963
From Isolation towards Integration. The Surinam Maroons and their Descendants (1845-1863). In Dutch. Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, Verhandelingen 41. Den Haag: Nijhoff.
1965
'Migratory Movements of the Djuka of Surinam 1845-1863'. In Dutch. In: Nieuwe West-Indische Gids 1-2 (133-151).
1967
'Summary and Annotations', in: Description of P.J. Benoit, Voyage a Surinam (1839), reprint in Dutch. Amsterdam: Emmering, 1967.
1969
Djuka Society and Social Change. History of an Attempt to Develop a Bush Negro Community in Surinam (1917-1926). In Dutch. Assen: Van Gorcum, New York: Humanities Inc.
1970
Redactie De Gids; Suriname nummer.
1970
'Rebellion of the Black Chasseurs. The Aftermatch of the Boni Wars (1788-1809). In Dutch. In: De Gids (291-304).
1970
'Chronicle of a Frontier Conflict'. In Dutch. In: De Gids (325-328).
1970
'210 Years of Independence. The Peace Treaty of 10 October 1760'. In Dutch. In: De Gids (410-414).
1972
'Independence now, Integration later. Two Surinams give their Opinion'. In Dutch. In: De Gids (147-1 55).
1973
'The Maroon Chiefs visit Africa: Diary of an Historic Trip'. In: Richard Price (ed.), Maroon Societies. New York: Anchor Books.

photo: Silvia de Groot
1974
Surinam Granmans in Africa; Four Paramount Chiefs visit the Country of their Ancestors. In Dutch. Utrecht: Het Spectrum.
1975
'Short History of the Djuka Society'. In Dutch. In: Suralco Magazine. Paramaribo,Surinam.
1975
'The Boni Maroon War (1765-1793), Surinam and French Guyana'. In: Boletin de Estudios Latinoamericanos y del Caribe 18. Amsterdam : CEDLA.
1975
'History of an Opposition to Social Change in a Maroon Society'. In: P. Kloos and K.W. van der Veen (eds.), Rule and Reality. Essays in honour of André J.F. Köbben. Amsterdam: Anthropologisch-Sociologisch Centrum, University of Amsterdam.
1976
'Maroons of Surinam. Problems of Integration into Colonial Labour Systems'. In: XLIIe Congrès International des Américanistes, Volume I. Paris.
1977
From Isolation towards Integration : the Surinam Maroons and their Colonial Rulers (1845-1863). In Dutch. The Hague: Nijhoff. (Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, Verhandelingen 80).
1977
'Maroons of Surinam: Dependence and Independence'. In: Annals of the New York Academy of Sciences 292 (455-463).
1978
Introduction to a Comparison between the History of Maroon Communities in Surinam and on Jamaica. In Dutch. Stichting Surinaams Museum (nos 25,26).
1979
'Boni's Death ad Boni's Head'. In Dutch. In: De Gids 1980 (3-15).
1981
'An Example of Oral History: the Tale of Boni's Death and Boni's Head'. In: Lateinamerika Studien 5 (1 8 1-2 16). Munich: Wilhelm Fink Verlag.
1981
'La Mort de Boni et la Tête de Boni. Sur l'Histoire Orale. Quelques Réflexions thóriques et un Example pratique, cocernant les Relations entre les Marrons de la Guyane Française et ceux de Surinam'. In : L 'Histoire et ses Méthodes, Acte du Colloque Franco-Néerlandais de Novembre 1980 à Amsterdam (159-183). Lille : Presses Universitaires de Lille.
1982
'Marroons of Surinam mapped 1730- 1734'. In Dutch. In: B.F. Galjart et al. (eds.), Een andere in een ander. Liber Amicorum voor R.A.J. van Lier (19-45). Leiden: Rijksuniversiteit, ICA-publication 52.
1982
'Maroons versus Colonists. Attitudes and Relationships 1667-1863'. In Dutch. In: OSO, Review of Surinam Linguistics, Literature and History 2 (63-74).
1982
'Black Revolt in Surinam 1780-1 809,. In: 44th International Congress of Americanists, Manchester.
1983
'Between two Worlds: the Intermediary'. In: OSO, Review of Surinam Linguistics, Literature and History 2 (121-129).
1983
'Slaven en marrons: reacties op het plantagesysteem in de Nieuwe Wereld. Een schema'. In Dutch. In: OSO, Review of Surinam Linguistics, Literature and History 2 (173-182).
1984
'Reasons for and Form of Slave Resistance and Marronage'. In: OSO, Review of Surinam Linguistics, Literature and History.
1984
Redactie OSO nr. 3 (Over vrouwen in Suriname)
1984
'A Comparison between the History of Maroon Communities in Surinam and Jamaica'. In Dutch. In: OSO, Review of Surinam Linguistics, Literature and History I (73-89).
1984
'Stammoeders, priesteressen en media'. In Dutch. In: OSO, Review of Surinam Linguistics, Literature and History 2 (181-191).
1985
'A Comparison between the History of Maroon Communities in Surinam and Jamaica. An Introduction'. In: Slavery and Abolition, a Journal of Comparative Studies 6 (173- 184).
1985
'The Maroons of Surinam: Agents of their own Emancipation'. In: D. Richardson (ed.), Abolition and its Aftermatch (55-80). Frank Cass & Co.
1986
'Maroon Women as Ancestors, Priests and Mediums'. In: Slavery and Abolition, a Journal of Comparative Studies 7 (160- 174).
1988
'A Corps of Black Chasseurs in Surinam. Collaboration and Rebellion'. In: 46th International Congress of Americanists, Amsterdam.
1988
'Het Corps Zwarte Jagers in Suriname. Collaboratie en Opstand 1'. In Dutch. In: OSO, Review of Surinam Linguistics, Literature and History 7 (147- 160).
1989
'Het Corps Zwarte Jagers in Suriname. Collaboratie en Opstand II'. In Dutch. In: OSO, Review of Surinam Linguistics, Literature and History 8 (7-20).
1989
'Surinaamse Gramnan vraagt opnieuw Stappen van Nederland in Oorlogssituatie' . In Dutch. In: NRC-Handelsblad (mei).
1990 'Van Donko's tot Guides'. In Dutch. In: De Gids 153 (846-856).
1990
'Van Ayako tot Jankoeso. Opvolgingskwesties bij de Saramakaanse Marrons 1680-1932. In: Wetenschap en Partijdigheid. Opstellen voor A.J. Köbben (99-113). In Dutch. Assen: Van Gorcum.
1991
Joost van Vollenhoven. Portrait of a French Colonial Governor. In Dutch. Amsterdam: Amsterdamse Historische Reeks.
1992
Redactie: OSO nr. 2; De Andere Marrons.
1993
'Changing Attitudes. Politics of Maroons versus Politics of the Governement in Surinam'. In: T. Bremer, U. Fleischmann (eds), Alternative Cultures in the Caribbean (7-20). Berlin: Vervuert Verlag.
1994
'Migration Movements of the Ndjuka Maroons. Surinam 1780-1790'. In: 48th International Congress of Americanists, Stockholm.
1995
'Charting the Surinam Maroons, 1730-1734'. In: W. Hoogbergen (ed.), Born out of Resistance (142-157). Utrecht: ISOR Publications.
1997
'Marrons aan de Djukakreek in de achttiende eeuw'. In Dutch. In: OSO, Review of Surinam Linguistics, Literature and History 1 (186-206).
1997
'Marrons in kaart gebracht'. In Dutch. In: OSO, Review of Surinam Linguistics, Literature and History 2 (207-219).
2003
Surinam Maroon Chiefs in Africa in search of their country of origin. Amsterdam. Silvia de Groot.
2004
Ringing the Bell. Female Priests in Contempory Bali. Amsterdam.
photo: Silvia de Groot
Silvia de Groot geeft college
TUSSEN TWEE WERELDEN: DE INTERMEDIAIR
SlLVlA W. DE GROOT
Tien jaar geleden deed ik mijn intrede op het Historisch Seminarium van de Universiteit van Amsterdam. Mijn opdracht was:
voor de halve werktijd onderwijs te geven en onderzoek te doen in de geschiedenis van het Caraibische gebied. Al spoedig
bleek ik mij niet aan deze opdracht te kunnen houden. Maar de Universiteit heeft mij voor het overschrijden van de mij
gestelde grenzen in tijd en ruimte nooit op de vingers getikt. Integendeel. Om verschillende redenen was het noodzakelijk
die grenzen te overschrijden: de geschiedenis van het Caraibische gebied wordt in hoge mate bepaald door het Europese
expansionisme. Daardoor maakt het gebied deel uit van de geschiedenis van dit expansionisme en de bijbehorende verschijnselen.
Dat houdt in dat de geschiedenis van het Caraibisch gebied niet los gezien kan worden van Zuid- en Midden-Amerika, noch van Afrika, noch van - in de 19e eeuw - Azië. Het spreekt vanzelf dat ik uit dit ruimte en tijd omspannend gebied een keuze moest maken. Om op bevredigende wijze kandidaats- en doctoraal-werkgroepen te begeleiden bleek het wenselijk eerste- en tweedejaars studenten in te wijden in de eerste beginselen van de geschiedenis van niet alleen het Caraibisch gebied, maar ook in die van Latijns- en Midden- Amerika en van Afrika, met name West-Afrika, met als onderwerpen: expansie, verovering, kolonisatie, plantagewezen, gedwongen arbeid en vooral de reacties daarop van de betrokken groepen. Zo'n 450 studenten volgden die colleges. De werkgroepen hadden vervolgens voornamelijk de genoemde reacties tot onderwerp, in respectievelijk de drie behandelde regio's. Met een deel van die werkgroepen werd onderzoek gedaan in archieven: het Algemeen Rijksarchief in Den Haag en het Gemeente-Archief in Amsterdam. Vaak lagen tentamens, kleine en grote scripties in het verlengde van de college- en de werkgroep-onderwerpen.
Dit, wat betreft mijn onderwijstaak, die mij, en naar ik hoop ook mijn studenten, zeer heeft bevredigd.
Wat mijn onderzoek betreft: dat heb ik eigenlijk nooit als een door mijn werkgevers opgelegde taak gezien. Het was meer een meevaller, dat datgene wat ik graag doe, ook als een deel van mijn opdracht gold. Het is de meesten onder U wel bekend waarmee ik me voornamelijk bezig houd: de geschiedenis van de marrons in Suriname. Ik wil daar echter toch nog wat toelichting op geven.
Bij het overdenken van het onderwerp van deze lezing heb ik mij weer eens afgevraagd waarom en hoe ik tot deze preoccupatie ben gekomen. Ik meen dat mijn belangstelling is te traceren naar mijn jeugdbelevenissen. Zowel mijn behoefte naar kennis van "anderen" in het algemeen als de wijze waarop ik die kennis tracht te verwerven, heeft met mijn jeugd te maken. Die speelde zich af in Indonesië. Van mijn 5e tot mijn 12e had ik vrij intensief contact met de bewoners van het eiland dat wij toen bewoonden: Bali. Ik had vriendinnen en vriendjes die Balinees waren, en die ik bezocht en die mij bezochten. Dat was in die tijd - 1925-1931 - vrij uitzonderlijk. Mijn ouders waren daarin liberaler dan de meeste anderen. Ook bracht ik veel tijd door met de vijf of zes bedienden die mijn ouders er op na konden houden. Dat beviel ze minder, maar daar zij beiden werkten en veel weg waren, konden ze dat niet verhinderen. Die contacten waren van enorm belang. Onder leeftijdsgenoten was de gelijkwaardigheid van anderen een vanzelfsprekend gegeven. Oudere bedienden echter waren deels mijn opvoeders en deels mijn vertrouwde toevlucht. De tuinman leerde mij met planten en dieren omgaan, zijn vrouw de kokkin vertelde mij legenden en nam mij mee naar de markt. De baboe, een scherpzinnige en felle vrouw, met veel ironie en sarcasme, sprak mij over het leven in haar dessa met haar familieleden, met alle achterklap, drama's en humor van dien. De huisjongen was een vreemde clown, van wie verteld werd dat hij 's avonds op feesten de blanken, en met name mijn ouders, met groot succes imiteerde. Ook voor mij voerde hij daar soms staaltjes van op, tot mijn grote vreugde en bewondering. Enerzijds dus vervangende broertjes en zusjes, anderzijds vervangende ouders, allen van een andere kleur en cultuur. Maar er is een ander facet: mijn eigen positie. Ik was ondanks alles niet één van hen, maar voelde mij ook niet meer helemaal thuis in het kamp van mijn ouders. Het wáren kampen: de kinderen en mijn ouders - hun onderwijzers, en de bedienden en mijn ouders - hun werkgevers. Deze situatie heeft mij bepaald: iemand die tussen twee werelden staat en tussen conflicten en relaties.
Ik ging sociale geografie, volkenkunde en geschiedenis studeren. Toen ik afgestudeerd was moest ik een onderwerp kiezen: welk land, welk volk en welke geschiedenis. Indonesië was door de onafhankelijksstrijd op dat moment onbereikbaar. Toen vond ik Rudie van Lier op mijn pad, die mij naar de geschiedenis van Suriname en het rijke bronnen-materiaal in het Algemeen Rijksarchief verwees en die geschiedenis voerde mij naar de marrons. En zie, aldra bleek dat ik mij bij mijn onderzoek weer bevond in het gebied dat ik kende: kennis verwervend over anderen en over hun conflicten en relaties onderling en met het andere kamp. En ook: de positie, de acties en reacties van de intermediair, de persoon tussen die twee kampen. Het grote belang van archiefonderzoek naar documenten van juist deze tussengroep is dat zij degenen zijn die de contacten leggen tussen de twee kampen: de marrons en de kolonisten, en die kennis overdragen van beide. Hun verslagen, rapporten en brieven zijn ter plekke, als ooggetuige, opgesteld. Het is hun interpretatie van de waarheid, zeker, maar nog niet gekleurd door tekst, context en herinterpretatie van derden. Los van het materiaal dat zij aandragen is hun visie op mensen en op de natuurlijke omgeving van belang. Enerzijds geeft die visie inzicht in het denkpatroon in de tijd van de verslaggever, anderzijds onthult deze de onderzoeker van nu de veranderingen in denkprocessen, die zich tussen toen en nu hebben ontwikkeld.
Hoewel de intellectuele status van de intermediair: kennis van taal en gemeenschap en het vermogen iets duidelijk op schrift te stellen, het onderzoek vergermakkelijkt, is dat niet strikt nodig. Krakkemikkig geschreven, emotionele, bevooroordeelde rapporten zijn vaak uiterst interessant. De intermediair kan tot op zekere hoogte getoetst worden op zijn waarheidsgetrouwe weergave door er documenten van anderen over hetzelfde onderwerp mee te vergelijken. Een belangrijk facet dat het document van de intermediair ons verschaft is het verslag, opgetekend uit de mond van de marrons zelf. Zonder die opgetekende verslagen en rapporten en die "orale" mededelingen zouden we nauwelijks in staat zijn de geschiedenis van die groep, anders dan eenzijdig, te bestuderen. Bovendien verschaffen die verslagen van dialogen een extra inzicht in de reacties van de marrons, en de mate waarin zij van de intermediair gebruik maakten door wensen en meningen aan hem door te geven.
Ik wil nu ingaan op de aard van de documenten en die van de intermediair, de persoon, die met een opdracht door één van beide kanten het veld, hier het Surinaamse oerwoud, in werd gestuurd. Daarbij maak ik onderscheid tussen documenten en intermediairs van vóór de vredesverdragen tussen marrons en kolonisten van 1760 en van daarna. Vóór 1760 is het archiefmateriaal over directe contacten met de marrons practisch geheel van militaire aard. Het zijn verslagen van kleine en grote patrouilles, die uitgezonden werden om gedeserteerde slaven op te vangen of te doden. De verslagen zijn opgetekend door leiders en deelnemers aan burger-, militie- en militaire tochten. Een voorbeeld daarvan is het geheel van verslagen over tochten en marrons bij de Saramaka-rivier in 1730, een eerste, mislukte, poging om een vorm van vrede te bereiken.(1) Het interessante van dat verslag is dat het hele verloop te volgen is op de beroemde kaart uit 1737 van Alexander de Lavaux, tevens de schrijver van het verslag. Andere belangrijke rapporten zijn die van de joodse kapitein Nassy, die vele, zo'n 30, expedities aanvoerde. Ook over een tweede, bijna gelukte poging tot vrede in 1749-1750 zijn vele rapporten te vinden.
Na 1760 namen de documenten toe in aantal en in onderwerp. De betrokkenen bij de vredessluiting, zowel militairen als burgers, schreven uitgebreide verslagen. Vermeldenswaard is dat de eerste aanwijzingen voor de blanken dat de marrons tot vrede bereid bleken bijna onleesbare, in het Engels geschreven, briefjes waren van de voormalige slaaf Boston, die bij aanvallen op plantages werden achtergelaten. Deze briefjes zijn helaas verloren gegaan. Na 1760 vinden we een veel grotere verscheidenheid van intermediairs: 1. posthouders; 2. afgezanten met speciale opdrachten; 3. militairen; 4. commissies met gemengde opdrachten; 5. zendelingen en missionarissen. Ik wil volstaan met U een aantal voorbeelden te geven van informatie van posthouders, speciale afgezanten en van militairen.
De posthouders waren ambtenaren (in de eerste jaren militairen) die, na het sluiten van de vrede met de drie marrongroepen, op de standplaats het Groot-Opperhoofd werden gestationeerd en die verplicht waren rapporten, verslagen en missives te sturen naar de koloniale regering over het doen en laten van de marrons. Hun documenten zijn uitermate belangrijk, ook al is de één beter in staat informatie te verschaffen dan een ander. De reacties van de marrons op de beperkingen en voordelen die de vrede hen verschaften, hun relatie tot de blanken in het algemeen en de posthouders in het bijzonder vindt men vermeld in deze documenten. Ook de reacties van de posthouders zelf, hun vaak pathetische persoonlijke 'verslagen, zijn de moeite van het bestuderen waard. De eerste posthouder bij de Djoekas, Frick, een Duitser van oorsprong, hield het daar, zoals ik al eens schreef (2), maar een jaar uit, 1762-1763. In één van zijn brieven klaagt hij dat de negers zijn proviand uit Paramaribo slechts tegen een vergoeding, die hij niet kan betalen, willen ophalen en vraagt om meer hulp:
"Ik ken dog niet gelooven, dat het de intentie van UEd. Achtb. Heren is mij soo slechter dings soo te seggen, mij hier te laaten crepeeren, zonder kleederagie, sonder kruyt en loot".
Zijn verhouding met de marrons werd zo slecht dat zij hem een paar dagen gevangen zetten en verboden brieven naar Paramaribo te zenden. Hij vroeg om aflossing. De verhouding tussen posthouders en marrons was zelden optimaal: hij was tenslotte een zetbaas van het bewind en werd dus niet vertrouwd. De op één na laatste posthouder bij diezelfde Djoeka's was Charles Louis Dhondt, een Belg, die dienst nam bij "de Landmacht voor de West Indien". Hij was posthouder van 1838 tot 1857. In al die jaren bracht hij geen sympathie op voor de marrons, hij voelde zich een ambtenaar bij
Willekeurige Boschnegers die men mensen noemt, die onbeschaafste wilde volkeren die aan de gruwelijkste en onbestaanbaarste bijgelovigheden geloven en die aan al wat afgoderij is, den vollen toom geven.
Hij had dan ook heel weinig zeggenschap over de marrons, die hem op plagerlge wijze als quantité négligeable behandelden. Niettemin, zijn beschrijvingen van begrafenisrituelen, behandeling van onderling geweld en van hekserij zijn, ontdaan van zijn epitheta, zeer precies en van grote waarde. Men kan de gang van zaken herkennen in vergelijken met die van nu.
De laatste posthouder, Willem Frederik van Lier, werd in 1917 genoemd.(3) Hij bezat wat zijn voorgangers misten: een grote belangstelling voor en betrokkenheid bij de Djoeka's, bij wie hij te werk werd gesteld. Zijn verslagen over de marron-gemeenschap zijn dan ook van groot wetenschappelijk belang. Hoewel posthouder genoemd, was zijn opdracht een heel andere: niet die van verslaggever van het doen en laten der marrons, van spionage, maar van brenger van westerse beschaving - zij het op een, buiten zijn schuld, bekrompen laag pitje. Als bijzondere facetten van zijn relaties met de marrons zijn aan te wijzen ten eerste, dat hij geen vat had op de interne machtsstrijd onder de Djoeka's, die zijn pogingen ondermijnden en, ten tweede, dat hij hun vertrouwen niet kon winnen omdat zij hem er - terecht - van verdachten dat hij probeerde het christendom "via een achterdeur" ingang te doen vinden. Ten derde was het ontwikkelingsplan uiteindelijk bedoeld om de marrons in te schakelen in het arbeidsproces van de kolonie, iets waarvoor zij zich nooit, door anderen gedwongen, wilden lenen. Het is uit Van Liers eigen rapporten, verslagen, brieven en dagboeken dat dit inzicht in het functioneren van interne machtsstructuren en de verhouding tot de blanke buitenwereld van de marrongemeenschap valt te halen, ook al was dit niet de quintessence van zijn geschriften.
De tweede groep van intermediairs zou ik afgezanten en onderhandelaars willen noemen. Het hieronder besproken archief-materiaal is voor het grootste gedeelte nog niet gepubliceerd.
Deze vorm van contact kwam uit beide kampen voort, zij het frequenter uit dat van de kolonisten dan van de marrons. De afgezanten werden met bepaalde opdrachten gezonden. In de 18e eeuw betroffen die opdrachten: voorbereiding, nabespreking of herziening van de vredesverdragen; oplossen van problemen bij het uitleveren van nieuwe deserteurs; het verdelen van de periodieke geschenkenzending. Vaak waren deze afgezanten personen die zich met inzet van hun moeilijke taak kweten en een helder en niet al te zeer emotioneel gekleurd verslag uitbrachten. Vaak ook geeft hun pure reisverslag een indrukwekkend beeld van de ontberingen tijdens zo'n tocht van een week of twee heen en dan weer terug, door moerassen, oerwoud, heuvels, rivieren bezaaid met rotsen, in vochtige hitte, geplaagd door insecten, zonder adequate medicijnen. Door hun beperkte opdracht en vrij kort verblijf konden dit soort intermediairs zich afstandelijker opstellen, wat de kwaliteit van hun waarnemingen soms ten goede kwam. Uit hun verslagen komt duidelijk naar voren dat de marrons zeker gelijkwaardige, vaak ook betere, onderhandelaars waren. Voorzover hun maatregelen konden worden opgedrongen had dit gewoonlijk met hun materieel zwakke positie te maken. Een voorbeeld van zo'n verslag is het journaal gehouden in 1761 van 18 april tot 2 juni. Het doel was in de eerste plaats de naleving van de vredesartikelen te bevestigen en met name het uitleveren van nieuwe deserteurs te regelen. Het relaas beschrijft behalve genoemde punten de dagelijkse belevenissen van de afgezanten. Eén van hen wenst te trouwen met een Djoekameisje, maar "huwt" uiteindelijk haar moeder, die voor slechts een nacht zijn echtgenote wordt. Een ander wordt ziek en zijn behandeling door een Djoeka medicijnman wordt zeer precies en voor moderne antropologen duidelijk herkenbaar beschreven. De oudste zuster van een opperhoofd is een geëerd priesteres en deze Cato wordt als volgt beschreven:
"Haar autoriteit steunt op openbaringen die sij - na voorafgegaane vreemde en belaggelijke beweegingen van het hoofd en lichaam, onder het speelen off geluid van één van haar lieden musicaale instrumenten - ontvangt, voorgeeigende dat God dan met haar spreekt en haar openbaarde wat sij aan de sieke off andere moesten seggen, en deeze uitspraak, - die in een heel vreemde en beevende stem, met half afgebrokene woorden, somtijds in een andere spraak geschied - wordt als een orakel aangenomen en gelooft en de Ondervinding leert, dat het ook veel tijds so uitvalt, (cursivering SdG) sijnde eenigsints overeenkomstig, sonder comparatie, met hetgeen wij van Elisa leesen die een speelman moeste hebben eer hij aan het propheteeren ging .....(4)
Dit is bij mijn weten de eerste keer dat een bezetenheidsritueel bij de marrons beschreven werd door ooggetuigen. Opvallend in dit verslag is de ontspannen relatie tussen blanken en zwarten: een huwelijk wordt overwogen, een medicijnman geraadpleegd, men doet mee aan dansfeesten en religieuze rituelen. Allemaal zaken die in het plantagegebied strikt verboden waren (zij het dat zij in het geheim wel degelijk plaatsvonden).
Ik heb het tot nu toe over blanke intermediairs gehad, er bestonden echter ook zwarte afgezanten, zowel aan de kant van de blanken als aan die van de marrons. De bekendste aan de blanke kant was een slaaf, Quassi. Een wonderlijke, opportunistische, alom gevreesde en geachte figuur, die voor zijn diensten zijn vrijheid kreeg. Behalve aan zijn capaciteiten als medicijnman, befaamd bij zowel blanke als gekleurde Surinamers, dankte hij zijn gezag aan het leiden van expedities naar marrondorpen en het jagen op deserteurs. Zijn trouweloze houding tegenover de marrons kwam op het afkappen van zijn rechteroor te staan.(5) Er rezen geregeld moeilijkheden over het nakomen van de afspraak nieuwe deserteurs uit te leveren. De meeste intermediairs hadden met dit probleem te maken. Ook Quassi werd in 1762 met zo'n opdracht naar de marrons gezonden, waar hij als afgezant der blanken werd ontvangen. Quassi liet ook niet na dit punt duidelijk te maken. In zijn relaas over deze tocht meldt hij dat hij vergadering hield
'tusschen een groot meenigte boschneegers onderwelke veele met schietgeweer en houwers waren voorzien. 't meeste gedeelte van hun was besig met een Pijp Tobak te rooken; bevorens ik tot iets overging seide ik, naar dat den Hove mij had gesonden, het dus niet voegde te roken en sij sulks moeste agter laten, 't welk ook ilico sonder tegenspraak is geschied'.(6)
(A.R.A. Societeitsarchief Suriname. Resoluties en Notulen van Gouverneur en Raden 1762)
Overigens had Quassi evenveel moeite om deserteurs los te krijgen als blanke intermediairs. Wel vonden de marrons het maar beter dat Quassi voortaan kwam in plaats van blanken, "want die brengen ons in twijffeling".
....Die Blanken kunnen met ons so duidelijk niet spreeken, daardoor sijn wij dikwijls van gedagten geweest dat de Blanke ... ons tragten te mislijden en in 't net te krijgen.
Dit punt is relevant voor een aantal facetten van de relaties tussen de marrons en de kolonisten: het feit dat zij elkaars taal vaak maar moeilijk verstonden, het feit dat mede daarom het wederzijds wantrouwen bleef bestaan, maar ook, dat de marrons dit handig konden gebruiken om hun weerzin om mensen uit te leveren achter onbegrip te verschuilen.
Een zeer bijzondere intermediair was zelf marron, een Saramakaner, die zich geroepen voelde zijn volk tot vrede met blanken te brengen. Hij bevond zich in 1761 bij de Djoeka's en nam contact op met daar aanwezige blanken. Hij vertrok daarop met enige Djoeka's naar zijn gebied en kwam met zo'n veertig landslieden terug, allen bereid een zelfde vredesverdrag als dat van de Djoeka's te sluiten. De intermediair trok mee naar Paramaribo, was aanwezig bij het plechtige vredesluiten van de Saramakaners in 1762 en kreeg van de blanken verscheidene "douceurtjes" voor zijn bemoeienissen. Een maand later vertrok hij naar de Djoeka's om zijn vrouw en kinderen op te halen, maar werd door zijn gastheren doodgeschoten op verdenking van hekserij. Wat was deze intermediair voor man? Zijn naam was Wiel (WieWie, Wii, Willie). Hij wordt geacht in 1712 in Suriname te zijn aangekomen en, tengevolge van de inval van een Franse kaper, Cassard, op dat moment meteen het bos in te zijn getrokken, naar de Saramakaners. Hij trouwde met een dochter van Adoe, het groot-opperhoofd. Zijn zwager Ajako, zoon van Adoe, 80 jaar oud en sukkelend, beschuldigde Wiel ervan hem behekst te hebben en gaf zijn zoon opdracht de waarheid uit te vinden. In 1972, ruim twee eeuwen later, vertelde Groot-Opperhoofd Aboikoni mij de toedracht. "Adjako zei tegen zijn zoon Dabi: als je wilt weten of ik werkelijk behekst ben door Pa WieWie, dan moet je de kogel uit het geweer halen dat wij op de blanken veroverd hebben, en zodra je ziet dat ik mijn laatste adem heb uitgeblazen, dan stop je die kogel in mijn mond. Op de dag van mijn begrafenis, moet je de moed hebben mijn kaken open te maken, de kogel er uit te halen en die in het geweer te stoppen. Dan "loer je Pa WieWie af en schiet hem". Zo gezegd zo gedaan. Pa WieWie werd geraakt (en aan zijn hand gewond) en vluchtte het bos in naar de Djoeka's. Dood was hij niet, maar de verdenking bleef op hem rusten". Op 1 november 1762 werd hij door een Djoeka doodgeschoten, die hem ervan beschuldigde met vergif te hebben gewerkt, wat ongeveer gelijk staat met hekserij. Het nieuws bereikte Paramaribo op 20 november per brief van de posthouder die schreef dat Wiel, na door de broer van het Djoeka opperhoofd Arabi aangeschoten te zijn, de volgende dag dood in het bos werd gevonden. Er werd volgens de posthouder nog over vergaderd of hij zou worden begraven, of - als heks - verbrand. Paramaribo wachtte gespannen af hoe de Saramakaners zouden reageren. Na grote opwinding, - men hoorde daar het nieuws op 15 november - werden vijf Saramakaners naar de Djoeka's gestuurd om Wiels vrouw en kinderen op te halen, die ondertussen door de Djoeka's naar de overkant van de rivier waren gebracht. Hoe dat is afgelopen is mij niet bekend: in mijn gegevens vind ik er niets meer over. Nader onderzoek is geboden, maar enkele veronderstellingen kunnen wel gemaakt worden. Wiel was als hoofd van een clan, getrouwd met de zuster van het hoofd van een andere clan, die het groot-opperhoofd leverde. Volgens de, in principe, matrilineaire opvolgingsprocedures was het kind van de zuster (Wiels zoon) pretendent voor de opvolging. Wilde de broer, maar vooral diens zoon, Dabi, een vinger in de pap houden, dan zou de man van zijn zuster, in casu tante, wellicht een sta in de weg zijn. Dit gegeven kan ten grondslag gelegen hebben aan de poging van Dabi om Wiel uit de weg te ruimen. Bij de Djoeka's kreeg Wiel indirect wéér met een opvolgingskwestie te maken: tijdens zijn verblijf speelde een machtsconflict tussen het groot-Opperhoofd Arabi en ene Pambo die hem tenslotte afzette . Wiel kreeg van deze ambo en aanhangers mensen mee om Saramakaners te halen voor vredes-onderhandelingen. Wiel - en ook Pambo - genoten de voordelen van die affaire. Het was Arabi die Wiel aanviel en diens broer die hem doodde. Het was, en is, vrij gebruikelijk om lastposten in de marrongemeenschap van hekserij of vergiftiging te beschuldigen en daarmee, gesanctioneerd, te isoleren of erger. Wat ook nog nader onderzoek vereist, is het vervolg van het verhaal: tot mijn verbazing verzekerde Granman Aboikoni mij dat Wiel niet was vermoord en in een artikel uit 1922 van bosopzichter Junker vond ik vermeld dat Wiel opperhoofd van zijn clan werd aan de Suriname-rivier en op hoge leeftijd stierf. Die informatie kwam van één van Wiels clangenoten en nazaten. Beleefde Wiel een mythologische resurrectie of was hij niet dood?(7)
Ik zei U al: er valt nog veel te onderzoeken en ik ben dat ook van plan te gaan doen. Eén zo'n onderzoek betreft het nog ongepubliceerde materiaal betreffende de geschiedenis van de "Zwarte Jagers" (8), een corps van door de regering aangekochte slaven dat ingezet werd om tegen marrons te vechten. De Jagers, onder leiding van blanke officieren, werden geacht een betere status te hebben dan de slaven. Zij waren goede vechters in het oerwoud, maar liepen hoge risico's als zij in handen vielen van de marrons. Dit plaatste ook hen tussen twee werelden, vijandige kampen, een situatie waaruit geen ontsnapping mogelijk leek. Echter, na een opstand van een 40-tal in 1805, waarbij zij een aantal blanken doodden en militaire posten overvielen, voegden zij zich toch bij hun vroegere vijanden de marrons, die vervolgens weigerden hen aan de kolonisten uit te leveren. Vier van hen werden bij een tocht naar een plantage gevangen genomen en verhoord. Analyses van die verhoren werpen nieuw licht op de aard en het verloop van de rebellie. In 1809 werd een nieuw verdrag gesloten met de marrons, waarbij de rebellen onder hun curatele werden gesteld. Dit verdrag is in zijn officiële vorm niet bekend. Bij toeval vond ik er een afschrift van in een pak documenten die over een heel andere zaak gingen.
Dan is er het manuscript van de Surinaamse Gouverneur Jan Nepveu uit 1770. Hij schreef met grote kennis van taken over de situatie in zijn tijd - en annoteerde een verslag van J. Herlein dat in boekvorm verscheen in 1718. Nepveu schreef en herschreef zijn manuscript tot hij een exemplaar had dat hij ter uitgave naar Nederland stuurde. Deze eindversie raakte weg en van de uitgave kwam niets. Bij een onderzoek in het Amsterdams Gemeentearchief vond ik het verdwenen manuscript dat Nepveu voor uitgave had bedoeld (9). Dank zij de medewerking van de bronnencommissie van het Historisch genootschap en de uitgever Emmering kan ik nu het manuscript annoteren en van commentaar voorzien en zal de uitgave, meer dan twee eeuwen na dato, tezamen met een herdruk van Herlein's boek te zijnertijd verschijnen. Gouvemeurs waren trouwens, dat toont de Surinaamse geschiedenis geregeld, intermediairs bij uitstek: tussen het Nederlands bewind en de Surinaamse planterswereld.
Een ander onderwerp waar ik mij mee bezjg zal houden betreft manuscripten van nooit gedrukte, noch beschreven kaarten, waarop een schat van gegevens te vinden is over militaire tochten, gemaakt naar de marrons. Daarop komen onder meer nu niet meer bekende dorpen voor die de Djoeka's en de Boni's vóór 1790 bewoonden.
De geschiedenis van dit verre Westen blijft me fascineren, maar toch, via omwegen en tussenstations, keer ik terug op mijn jeugdbasis: het verre Oosten. Want: terwijl in 1840 vijftig Afrikanen, rechtstreeks uit Ghana aangevoerd, toegevoegd werden aan de reeds genoemde Zwarte Jagers, recruteerde Nederland tussen 1831 en 1872 drieduizend Afrikanen in datzelfde Ghana als soldaat voor Nederlands-Indië, waar zij moesten strijden tegen de Indonesiërs die verzet boden tegen de voortschrijdende kolonisatie - koloniale heersers zijn er altijd goed in geweest anderen daarvoor in te zetten. Hoe verliep de recrutering in Afrika, hoe verging het de recruten in Amerika, hoe ondergingen de Afrikanen hun diensttijd in Azië, hoe verliepen hun militaire en burgerlijke contacten met de Indonesiërs? Gegevens voor antwoorden op deze en vele andere vragen vond ik in de "Archieven ter kuste van Guinee", gelegen in ons Rijksarchief, maar ook in de archieven van Engeland, Suriname en Indonesië.
Graag wil ik van deze gelegenheid gebruik maken om de medewerkers van het Algemeen Rijksarchief te bedanken voor hun voor mij bijzonder belangrijke assistentie bij het zoeken naar materiaal.
Dames en heren, ik weet heel goed dat ik, op mijn gevorderde leeftijd, U een ambitieus toekomstplan heb geschetst. Alles wat ik er van kan realiseren is meegenomen.
Medewerkers aan dit colloquium. Tussen U en mij bestaan niet alleen vak- maar ook vriendschapsrelaties. Rudie van Lier, the grand old man van de Surinaamse sociologie in het bijzonder en de niet-westerse sociologie in het algemeen, heeft mij de eerste stappen doen zetten op mijn weg naar Suriname. Zoals hij indertijd al waarschuwend voorspelde ben ik niet meer van die weg afgeraakt. Het doet mij bijzonder deugd dat hij nu ook, dan wel niet de laatste maar toch één laatste étappe, een rite de passage, begeleid heeft. Harry Hoetink en ik hebben ons vrijwel gelijktijdig in het Caraibisch mozaïek gestort. In ieder geval ontmoetten wij elkaar voor het eerst toen wij ons in verband met een WOTRO-subsidie bij Johanna Felhoen Kraal moesten presenteren. Onze belangstelling raakte elkaar op vele punten en onze wegen kruisten elkaar gelukkig geregeld. Zijn inzicht in, en kennis van, de ingewikkelde relaties in het Caraibisch gebied bewonder ik in hoge mate. Pieter Emmer plaatst met zijn onderzoek naar de gedwongen immigranten - slaven en contractarbeiders - de kennis van de Surinaamse geschiedenis in -een wijder kader. Aan het aandeel van Afrika en Azië en de rol die Europeanen daarbij gespeeld hebben wordt hierdoor extra en noodzakelijke aandacht besteed. Humphrey Lamur houdt zich bezig met een lang verwaarloosd aspect van de Surinaamse geschiedenis: de demografie. Ondanks de schaarste aan betrouwbare gegevens heeft hij met, de moderne technieken een veel duidelijker inzicht gegeven in de opbouw van de bevolking. Het is te hopen dat financiële steun een belangrijk onderzoek naar een volkstelling die in 1811 is gehouden en die een enorme bron van gegevens bergt, mogelijk zal maken.
Waarde collegae. Tien jaar geleden, toen de toekomst van de geschiedenis er nog heel wat florissanter uitzag, heeft U besloten om de wereld buiten Europa een kans te geven. U heeft mij ervoor aangetrokken om de studenten daarop attent te maken. Uit het bovengezegde is wel gebleken hoezeer ik mij daarin verheugd heb. Ik heb bijzonder veel aan U te danken. De roemruchte wekelijkse vergaderingen van de vakgroep Nieuwe en Theoretische Geschiedenis zullen mij niet licht uit het geheugen gaan. Steeds dichtere en onoverzichtelijkere organisatorische en financiële wolken pakten zich boven onze hoofden samen, maar de toewijding, gepaard gaande met goddank veel humor en ironische distantie, de openheid waarmee problemen werden aangepakt, in een gezelschap van toch altijd zo'n twintig mensen, mag vele dergelijke verzamelingen tot voorbeeld zijn. U heeft mij, toen de toeloop van studenten groter werd, de bestuurlijke taken bespaard. Mijn verzoeken om hulp van student-assistenten en om financiële hulp voor onderzoek en congresbezoeken heeft U steeds gesteund. Uw collegialiteit en vriendschap hebben voor mij een blijvende en grote betekenis. Voor de afsluiting van mijn universitaire loopbaan aan deze Universiteit met dit colloquium ben ik U bijzonder dankbaar.
In dit dank woord wil ik met nadruk de leden van het "technisch-administartief personeel" betrekken. Ondanks hun drukke taak hebben zij mij nooit in de steek gelaten. Als ik beroep op hen deed, zelfs met haastwerk, vonden zij steeds tijd voor me.
Dames en heren studenten, de wereld en de geschiedenis daarvan, waarvoor ik U heb trachten te interesseren, ligt buiten Europa en vormt alszodanig een "Fremdkörper" binnen het hoofdvak Nieuwe en Theoretische Geschiedenis. Niettemin heb ik mij kunnen verheugen in Uw groeiende belangstelling. Het onderzoek dat wij entameerden richtte zich vooral op de verwerving van kennis en inzicht in relaties en conflciten van de bevolking van Latijns-Amerika, de Caraïben en Afrika, zowel intern ald in relatie tot de koloniserende Volekren. De vele werkgroepen over deze onderwerpen hebben ook voor mij positieve resultaten opgeleverd. Een aantal van U heeft mij ook rechtstreeks, als tijdelijk student-assistent, gegevens helpen verzamelen. Uw aller medewerking heeft mij zeer gestimuleerd. Ik betreur het bijzonder dat deze splinterafdeling niet zal worden voortgezet. Aan belangstelling en aan competente docenten ontbreekt het zeker niet.
Silvia de Groot, Amsterdam 1983.
Noten
(1) Silvia W. de Groot, Surinaamse Marrons in kaart gebracht. 1730-1734. In: Een Andere in een Ander, Liber Amicorum voor R.A.J. van Lier. Redactie: B.F. Galjaart, J.D. Speckmann, J. Voorhoeve, I.C.A. Publicatie no. 52 Rijksuniversiteit Leiden.
(2) Silvia W. de Groot, 1977, From Isolation towards Integration. M. Nijhoff, 's-Gravenhage
(3) Silvia W. de Groot, 1969, Djuka Society and Social Change. Van Gorcum, Assen.
(4) A.R.A. Societeitsarchief Suriname. Resoluties en Notulen van Gouverneur en Raden 1761.
(5) Richard Price en Chris de Beet, 1982, De Saramakaanse vrede van 1762: geselecteerde documenten. Utrecht, Bronnen voor de studie van Bosnegersamenlevingen no. 8.
(6) A.R.A. Societeitsarchief Suriname. Resoluties en Notulen van Gouverneur en Raden 1762.
(7) L. Junker, "Eenige mededeelingen over de Saramaccaner-Boschnegers" p. 462 e.v.: De West-Indische Gids 1922.
(8) Silvia W. de Groot, Rebellie der Zwarte Jagers. De nasleep van de Bonni-oorlogen 1788-1809. De Gids, no. 9, 1970.
(9) In het A.R.A. liggen twee M.S.S.: een klad- en een onvolledig exemplaar. In het Gemeente Archief Amsterdam liggen een onvolledig en het volledige exemplaar.
REBELLIE DER ZWARTE JAGERS
De nasleep van de Bonni-oorlogen; 1788-1809
De drang naar vrijheid en zelfstandigheid, het verwezenlijken van persoonlijkheid en eigen identiteit speelt in Suriname niet sedert de twintigste eeuw, en met name sedert de tweede helft van deze eeuw, maar reeds eeuwen lang. Die drang was actief bij de eerste slaven die in het land werden ingevoerd. Verzet, rebellie en guerrilla-oorlogen als uitingen van dit streven zijn in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw niet van de lucht geweest. Het lag aan de aard van de kolonie: een plantage-economie, berustend op slavenarbeid. De onrust, veroorzaakt door in mindere of meerdere hevigheid steeds weer oplaaiende oorlog tussen groepen weggelopen slaven en de kolonisten, heeft er in belangrijke mate toe bijgedragen dat de baten van het wingewest Suriname in de loop van de achttiende eeuw tot tekorten werden. Het land werd ten slotte armlastig en moest door het moederland, dat zich steeds trachtte te verrijken, bovendien gesubsidieerd worden. Het heeft zich tot vandaag niet hersteld en economisch onafhankelijk weten te maken.
De bewogen geschiedenis van het land is uitvoerig en veelvuldig beschreven ook in de achttiende en negentiende eeuw. Sommigen deden dit in de vorm van reisverhalen en notities van eigen bemalingen, anderen maakten gebruik van archieven en documenten.
Wanneer men zich in de Surinaamse geschiedenis verdiept, blijken er - zoals dat bij elke geschiedschrijving voorkomt - 'witte plekken' te zijn, hetzij omdat het de historicus in het kader van zijn werk niet mogelijk was de interpretatie van zekere gebeurtenissen te geven, het zij omdat hij van de feiten niet voldoende op de hoogte was.
Drie van deze niet-begrepen en onvoldoend bekende gebeurtenissen wil ik hier naar voren halen en we1 omdat ze, in verband gebracht met nieuwe archiefvondsten, het historische beeld van Suriname kunnen completeren en verduidelijken.
De bedoelde feiten werden tor nu toe slechts als 'faits divers' aangevoerd.
Het eerste en het tweede staan het meest uitgebreid in het voortreffelijke geschiedenisboek van J. Wolbers. Het eerste (op bladzijde 431- 432) luidt dat er in augustus 1788 het bericht kwam dat het wegloper-opperhoofd Bonni met zijn volgelingen de Marowijne was overgetrokken en de plantages bedreigde. 'Zou het een onwaar en valsch gerucht zijn geweest? Neen, weldra werd het bevestigd: daar klinkt eensklaps de droevige mare door de kolonie: de mannen van Bonni hebben de plantage Clarenbeek aangevallen…'. Het tweede feit, dat zich in 1805 voordeed, staat op bladzijde 548 en luidt: 'Men stelle zich de ontsteltenis voor dat het bericht teweeg bragt: "Een detachement der Negerjagers op de posten Oranjebo en Imotappie, bij de Boven-Commewijne, heeft gerevolteerd en twee officieren, een sergeant, twee commissarissen en de Directeur eener plantaadje (allen blanken) vermoord; men heeft de muitelingen dadelijk door eenige soldaten en getrouw gebleven negersjagers doen vervolgen, doch zij zijn naar Armina bij de Marowijne gevlucht, en om hen aldaar, dat drie dagreizen verder in een onbewoond oord ligt, te vervolgen is bijna onmogelijk." . . . De eigenlijke beweegredenen tot dezen opstand liggen in het duister.'
Het derde bericht, dat verband houdt met de opstand der 'Zwarte Jagers', maar dat evenmin als het bovengenoemde een verklaring bevat van de genoemde feiten, vond ik in de reisverslagen van A. von Sack op bladzijde 126: 'De Aucananegers (2) hadden aan de Regering van Surinamen, bij gelegenheid dat de vrede (in 1809) hernieuwd was, aan de Sara-Creek, en bij verdere bevestiging van dezelven in November 1811, beloofd, dat deze opstandelingen zich vreedzaam zouden gedragen, en dat zij, in gevallen dezelve vijandelijkheden tegen de Blanken mogten beginnen, hen als vijanden zouden beschouwen en behandelen, en hen levendig of dood, in de handen der Regering overleveren. Dezelfde verpligting namen zij op zich ten aanzien van de Bonnie-negers'. (3)
In geen van de mij bekende historische geschriften worden de oorzaken van de aanval der Bonnis en van de rebellie der Zwarte Jagersnader uitgelegd, noch de precieze voorwaarden van het hernieuwde vredesverdrag met de'Aucana'-negers (dat wil zeggen de Djoekas) beschreven. Wanneer men echter deze gegevens nader beziet aan de hand van bronnen, verzameld in Engelse, Nederlandse, Franse en Surinaamse archieven (4), blijkt de gang van zaken duidelijk te worden: de ontbrekende stukken van de puzzel kunnen worden ingepast.
Hiertoe geef ik eerst de achtergronden (1650-1788) en onderscheid ik vervolgens in het te behandelen tijdvak (1788-1809) drie hoofdmomenten, om oorzaken en gevolgen aan te kunnen geven:
Voorspel: 1650-1788;
I. Hernieuwde aanval van de Bonnis: 1788-1793;
II. De opstand der Zwarte Jagers: 1805;
III. Hernieuwd verdrag met de Djoekas: 1809.
Omstandigheden die invloed op de gang van zaken uitoefenden waren: de situatie in de naburige kolonie Frans-Guyana en de verhouding met Suriname; de Napoleontische oorlogen met als gevolg voor wat Suriname betrof een Engels bestuur (1799-1802 en 1804-1816); de zeer slechte communicatie en de verwarde situatie in het Guyanese gebied in het algemeen.
Voorspel: 1650-1788
a. Sedert 1650: Guerrilla-oorlog tussen weggelopen slaven en kolonisten H et weglopen van de sedert de zeventiende eeuw uit West-Afrika ingevoerde slaven voor de plantages in Suriname is van de tweede helft van de zeventiende eeuw tot aan de afschaffing der slavernij in 1863 voor de kolonisten een probleem geweest dat hen veel hoofdbrekens, kapitaal en slachtoffers heeft gekost. De middelen om het weglopen te voorkomen, de slaven uit de bossen terug te halen en de pogingen om de desastreuze aanvallen van groepen weglopers op de plantages en hun bewoners te voorkomen, bleken gewoonlijk weinig succes te hebben. De vrede die met drie groepen: de Djoekas, de Saramaccaners en de Matuaries in respectievelijk 1760, 1761 en 1767 gesloten werd, verhinderde niet dat een nieuw gevormde groep, de Bonnis, de kolonie met hun aanvallen in rep en roer hield, van 1769 tot 1793.
b. Beschermende militaire maatregelen tegen de Bonnis: 1770-1777 De in 1770 benoemde Gouverneur Jan Nepveu nam tegen hun hevige aanvallen energieke maatregelen: hij liet een militair kordon om het bebouwde deel der kolonie aanleggen, ondanks de tegenwerking der kolonisten die de bijdrage aan de kosten voor de aanleg van de hun beschermende ring te hoog vonden. Dit kordon bestond uit een verbindingsweg met op geregelde afstanden militaire posten. Het kwam in 1778 klaar. De totale bezetting, verdeeld over 'hoofdposten' en 'piketten', moest bestaan uit 5 kapiteins, 19 luitenants, 44 sergeants,69 korporaals, 24 oppassers, 5 bakkers en 955 man, gerecruteerd uit de in het land aanwezige militie, een bezetting die gewoonlijk niet bereikt werd. Het onderhoud van deze militairen werd deels door de ingezetenen van de kolonie deels door het moederland bekostigd. De twee a drie bataljons, ieder bestaand uit een kleine vierhonderd man werden bij de verspreiding over het 'Cordon' versnipperd. Toen de aanvallen der Bonnis in 1772 steeds driester werden nam de Gouverneur nieuwe maatregelen: hij vroeg het moederland om versterking der krijgsmachten die hem in 1773 onder leiding van de Zwitserse kolonel Fourgeoud gestuurd werden: eerst achthonderd man en in 1775-76 nog eens een versterking van achthonderd dertig man. Deze versterkingen waren hard nodig door de grote verliezen die werden geleden, daar de troepen fysiek en psychisch niet opgewassen waren tegen de tropische omstandigheden en de guerrillatactiek van de bosnegers. Met de aangekomen versterkingen vie1 Fourgeoud nogmaals de versterkte vestingen van de Bonnis aan en slaagde erin hen over de Marowijne-rivier te jagen. Fourgeoud en de meeste resterende manschappen vertrokken in 1777 weer naar Europa, in de mening dat de kolonie nu van de aanvallen der bosnegers verlost was. Deze mening bleek a1 spoedig ongerechtvaardigd optimistisch te zijn.
c. Oprichting van het 'Korps Zwarte lagers':1772
Een zeer belangrijk aandeel in het welslagen van deze strijd tegen de Bonnis werd geleverd door het 'Korps Zwarte Jagers' in 1772, eveneens door Gouverneur Nepveu opgericht.5 Het is niet onwaarschijnlijk dat zonder de hulp van deze groep zwarte krijgslieden ook Fourgeoud met zijn troepen de Bonnis niet had kunnen terugdrijven. Behalve dat zij beter bestand waren tegen de ontberingen van de rimboe-oorlog, wisten zij dat zij weinig goeds te verwachten hadden van hun land- en vroegere plantagegenoten tegen wie zij de strijd hadden aangebonden, als zij in hun handen vielen. Deze wetenschap verhoogde ongetwijfeld hun strijdbaarheid.
Het Korps bestond uit door de koloniale regering gekochte slaven (deels van de slavenmarkt, deels van plantage-eigenaren). De prijzen die voor hen betaald werden varieerden van f 800,- tot f 3400,-. Nepveu bracht de macht op driehonderd man, waarvoor een lening van f 700 000,- in Holland werd gesloten. Zij hadden een semi-militaire status: ze werden alleen betaald als ze dienst deden, buiten dienst voorzagen zij zelf in hun onderhoud en kregen daar voor een 'grondje' toegewezen buiten Paramaribo. De officieren werden gerecruteerd uit de militaire korpsen van de kolonie. Het Korps had een goede naam en het werd als een eer beschouwd hun te leiden. Befaamde namen komen dan ook onder hun 'Conducteurs' voor: de latere gouverneur Friderici, majoor Stoelman, Vinsack, Mangold volvoerden heldhaftige patrouilletochten, soms met succes bekroond. Stedman, die in het expeditieleger van Fourgeoud meevocht om de Bonnis te verslaan, prijst de Zwarte Jagers in zijn beroemde werk en achtte één zwarte soldaat van evenveel waarde als zes blanke. Ze waren onder meer uitgemonsterd met geweren en droegen eerst een groene, later een rode muts, wat hun in de volksmond de naam 'Redi (of Ledi) Moesoe' bezorgde, die tot nu toe voor hun nakomelingen is blijven bestaan.
Ook na het verdrijven der Bonnis over de Marowijne bleven de Zwarte Jagers actief. Ze patrouilleerden langs het Cordon en deden uitvallen bij verspreidde aanvallen van weglopergroepen, zoals in 1785 toen een groep onder een leider 'Koffie Makka' een plantage even buiten het Cordon aanviel. De kolonie schrok, na een paar jaar betrekkelijke rust, weer danig op, te meer daar men eerst meende dat het een hernieuwde aanval van de Bonnis was. Koffie Makka slaagde erin een aantal plantages in brand te steken en een directeur te doden, maar de slaven weigerden hem te volgen. Ook andere plantages werden aangevallen en het Korps bewees weer goede diensten bij het verjagen van de aanvallers. De chef van het Korps, Friderici, vulde hun aantal met vers uit Afrika aangevoerde slaven aan en nam ook enkele betrouwbaar geachte Djoekas in het Korps op.
In 1786 richtte Friderici naast het Korps Zwarte Jagers een Korps Blanke Jagers op. Aan de Marowijne werden de versterkte posten Armina en Vredenburg aangelegd en versterkt met Jagers. Tegelijkertijd werd een verbindingspad aangelegd tussen Armina en Oranjebo, een aan de oostpunt van het Cordon aan de Boven- Commewijne gelegen post. Armina was aldus vrij goed te bereiken en te voorzien van voorraden.
A1 deze voorzieningen werden getroffen omdat men steeds vreesde dat de weglopers nog we1 eens een nieuwe uitval zouden wagen.
I. Hernieuwde aanval van de Bonnis: 1788-1793
In 1777 waren de Bonnis ten slotte uit de kolonie Suriname verdreven en hadden zich aan de Franse kant aan de Marowijne-rivier in dorpen gegroepeerd. Echter: aan diezelfde rivier leefden ook de Djoekas, die allerminst gesteld waren op een groep nieuwe bewoners, waar de kolonie nog steeds op voet van oorlog mee stond. De Djoekas beschouwden de Marowijne rivier als hun domein. Na de vrede van 1760 hadden ze zich vanuit de Djoeka-kreek aan dorpen hoger op aan de rivier gevestigd en de conglomeratie van de Bonnis lag lager aan de rivier. Zij konden de Djoekas de vrije doorgang naar het kustgebied bemoeilijken. Die vrije doorgang was van belang: contact met het kustgebied was een noodzaak voor handel (zij het op minieme schaal) ter aanvulling van noodzakelijk gerief, en vooral van voedsel in vrij geregeld voorkomende perioden van tekorten. Zij voerden in oktober 1779 een aanval uit op de Bonnis. Ze maakten tweeëntwintig gevangenen en doodden zeven man. Tot grote schrik van de kolonie sloten zij echter aan het eind van dat jaar een verbond met de Bonnis. De Djoekas zonden geruststellende berichten naar Paramaribo: zij zouden de Bonnis nimmer helpen indien deze de blanken weer zouden aanvallen, en Bonni zelf, het Groot-opperhoofd, had verklaard geen acties te ondernemen als hij niet gemolesteerd zou worden.
De rust bij de Bonnis bleef inderdaad bewaard tot 1758. In dat jaar vielen de Bonnis geheel onverwacht de kolonie weer binnen en overvielen de plantage Clarenbeek aan de Boven- Commewijne, buiten het Cordon gelegen, evenwe1 voorzien van een militaire post met een sergeant en vier soldaten. Allen, op de directeur na die als 'slaaf' werd weggevoerd, werden gedood. Op 26 September vielen ze vier plantages tegelijk aan de Boven-Suriname aan, doodden drie blanken en namen een groot aantal slaven mee. Toen luitenant-kolonel Friderici met zijn Zwarte Jagers ter plaatse van de ramp verscheen, waren de aanvallers reeds te ver weg om tot achtervolging over te gaan. In 1789 vielen zij de militaire post Armina aan. De conducteur Stoelman sloeg de aanval af en de Bonnis trokken zich terug.
In 1790 werd echter met behulp van de aanwijzingen van een overloper van de Bonnis: Ascaan, vanuit de militaire posten aan de Marrowijne, onder leiding van Luitenant Stoelman met een groot contingent Zwarte Jagers het dorp van het Opperhoofd Bonni: Aloekoe overvallen. Bonni ontkwam, maar een aantal belangrijke hoofden werd gedood of gevangen gemaakt. Ook bij de Jagers vielen doden en gewonden. De gevangen directeur van de plantage Clarenbeek werd levend aangetroffen en bevrijd.
Bonni's kracht bleek nu gebroken en hij stuurde zijn oudste zoon en twee kapiteins naar Paramaribo om vrede te sluiten. Friderici, inmiddels waarnemend Gouverneur, voerde de onderhandelingen. Men weifelde over de te nemen beslissing en traineerde de onderhandelingen: men zag er tegen op een nieuwe groep gepacificeerde, weinig betrouwbare bosnegers in het land te hebben, terwijl men van de loyaliteit van andere groepen allerminst zeker was. Ook het feit dat de Bonnis zich op Frans territoir bevonden maakte een beslissing moeilijk. Men vroeg zich af, zoals men dat altijd a1 deed, of de Bonnis zich niet met de Djoekas en eventueel de Saramaccaners zouden verenigen en een grote aanval op de kolonie ondernemen. Hoewel de Bonnis verklaarden dat de Djoekas hen (na de uitval van 1789) niet meer steunden en zich tegen hen hadden gekeerd, en dat zij hen gaarne wilden bestrijden als zij daartoe wapens en ammunitie kregen, wezen berichten van de posthouder - een van bestuurswege bij de Djoekas geplaatste ambtenaar - allerminst in die richting.6 Friderici bepaalde er zich dus toe te eisen dat de Bonnis eerst alle weglopers en gevangenen zouden terugzenden. Het Opperhoofd Bonni zond slechts enkele gevangenen terug en vroeg om meer wapens. Hij verklaarde onder druk van zijn onderhoofden (kapiteins) niet meer te kunnen doen. De vijandelijkheden begonnen opnieuw in juli 1791, waarbij de Bonnis opnieuw verliezen leden.
De Bonnis (maar ook de Djoekas) trokken onder druk van de aanvallen steeds verder de rivier op, en omstreeks deze tijd, 1790-'91, waren zij in dorpen aan de Lawa, bovenloop van de Marowijne, gevestigd en de Djoekas aan de Tapanahoni, de grootste westelijke zijarm van de Marowijne. Intussen liet Friderici de Djoekas weten dat de hulp die zij aan de Bonnis hadden gegeven hen zeer kwalijk werd genomen en beschouwd werd als het verbreken van het vredesverdrag, en dreigde hen met een gewapende aanval. De Djoekas zonden in oktober 1791 een delegatie om vergiffenis te vragen, en gingen in op de eisen alle Bonnis die bij hen waren uit te leveren en hulp te verlenen in de strijd tegen hen, terwijl hun beloofd werd, dat als de Bonnis hen zouden aanvallen - Friderici zal zeker niet nagelaten hebben hen te vertellen dat de Bonnis dat van plan waren - zij bescherming van het Gouvernement zouden krijgen.
De pogingen beide groepen tegen elkaar op te zetten hadden succes: de verontwaardigde Bonnis deden een aanval op de Djoekas en verwoestten hun hoofdplaats Anderblauw (1793). Met een kleine macht Jagers en Djoekas overvie1 men opnieuw de Bonnis. De negentiende februari 1793 werd Bonni zelf door een groep van zeventig Djoekas onder leiding van het pas benoemde opperhoofd Bambi bij verrassing overvallen en door Bambi gedood, de zevenentwintigste onderging Coermantijn Codjo (een ander opperhoofd) het zelfde lot; Agossou, een zoon van Bonni ontkwam, 'et comme les Francais avaient déja déclaré la guerre à la Republique, l'on n'était plus obligé à respecter les forêts désertes de Cayenne, ce qui fit qu'on les chassa presque jusqu'aux frontiéres de la Guiane Portugaise." (7) - overigens zonder resultaat.
De gevoerde strijd tegen een gemeenschappelijke vijand, die voor blanken en Djoekas beide gevaar opleverde, had tot gevolg dat het wantrouwen tussen die twee groepen enigszins verminderde. De gemaakte en uitgeleverde gevangenen werden deels (voor begane wandaden) gedood, deels (als zij door de Bonnis ontvoerd waren) aan hun vroegere meester teruggegeven. Een aantal Bonnis werd naar St. Eustatius verbannen (als slaaf). Enkele Bonnis die beloofden de blanken van dienst te zullen zijn, werden toegevoegd aan het Korps Zwarte Jagers.
Het duurde tot 1812 voor Bambi voor zijn overwinning op de Bonnis zijn hem door Friderici in 1793 beloofde geschenk kreeg: een zilveren ringkraag met een schild, waarop de koppen van Bonni en Coermantijn Codjo in relief waren aangebracht en waarop gegraveerd stond: 'In remembrance of the faithful service of the chieftain of the Aucaanders named Bambey in the years 1790 and 1791 by his delivery of the heads of two celebrated chieftains of the Bushnegroes Bonni and Cormantijn Codjo, given by his Excellency the Governor-General Bonham and Government of Surinam.(8) Een enigzins eigenaardige inscriptie als men bedenkt dat de geschiedenis uitwijst dat de Djoekas, nadat zij in 1780 vrede gesloten hadden met de Bonnis, pas in 1791 met hen braken en de geslaagde aanval op de opperhoofden in 1793 plaatsvond. Bovendien werden de hoofden van Bonni en Coermantijn Codjo nooit ingeleverd: die vergingen met de oorlogsbuit, opgeladen in korjalen, op de klippen in de rivier, zoals blijkt uit het journaal (9) gemaakt tijdens de tocht, dat loopt van 22 tot 28 januari 1793. Op 23 januari schrijft de opsteller: 'is Bambie met zijn Corjaar in seekere vall gesonken en soowel het corjaar, als alle zijn goederen van hem, als zijn Buyt verlooren, en had niet veel gemankeerd of hij was zelfs verdronken. Hetgeen hij verlooren heeft is. . . . een Koer Koerre (mand) waar ongelukkig in was het hooft van Bonnie en 9 handen. . .'
De majoor Zegelaar die op een post in de Lawa de terugkerende Djoekas ontving meldt in zijn rapport van 12 maart 179310 dat e r 21 Bonnis gedood zijn, 38 gevangen gemaakt en 12 handen ingeleverd (hoofd of hand gold als bewijs voor het doden van een vijand waarvoor honderdvijftig gulden per stuk werd betaald). Hij verzoekt voor het doden van de opperhoofden wat meer te betalen. Wie hen gedood heeft meldt hij niet, en over de hoofden van Bonni en Coermantijn Codjo wordt niet gerept.
De onzekerheid over te nemen besluiten, het wantrouwen over en weer, de ogenschijnlijk ongemotiveerde uitvallen der Bonnis en de houding der Djoekas worden duidelijker als men de situatie in Frans Guyana beziet en hun reactie op de gebeurtenissen aan en over de Marowijne grensrivier.
De Franse kolonie Guyana is van het begin van haar bestaan, dat wil zeggen van het begin van de zeventiende eeuw af, noodlijdend geweest. Men trachtte het gebied rendabe1 te maken door er steeds nieuwe golven kolonisten en 'engagés' (Europese contractarbeiders) naar toe te sturen die, onvoorbereid op een hard bestaan in de tropen, in grote menigten stierven. Eén van de bekendste catastrofen van dien aard was de kolonisatie in Kourou die in 1764 begon met tussen de negenduizend en veertienduizend emigranten, waarvan er een jaar later niet meer dan duizend over waren. Intussen was men begonnen gevangen Indianen als slaven te gebruiken, wat evenals overal elders een mislukking werd. De invoer van zwarte slaven uit West-Afrika kwam pas in de achttiende eeuw langzaam op gang. Het verkrijgen van slaven kostte grote moeite: de slavenboten deden Cayenne niet graag aan: het lag ongunstig wat haven-entree en zeestroom betrof, en de handelaren kregen te weinig geld naar hun zin. Het was een vicieuze cirkel: de plantagehouders waren arm, konden de gevraagde slavenprijs niet betalen, kregen onvoldoende slaven om het land te bewerken en ...... bleven arm. De verhouding tussen blanken en zwarten was in de achttiende eeuw ongeveer één op zes, de meeste kolonisten hadden minder dan zes slaven, slechts enkelen bezaten er tientallen. Men zag met lede ogen aan dat Suriname als plantage- en slavenkolonie in elk opzicht fortuinlijker was. Ook het inpolderen der moerassige kuststreken, waar de Hollanders rijke bouwgronden door creëerden, vereiste een techniek die de Franse kolonisten niet beheersten.
De Franse revolutie bracht voor de slaven in Guyana nauwelijks verandering; na een korte periode waarin enkele slaven werden vrijgelaten, werd de slavernij in 1802 weer de rigueur tot 1848. Ook Frans-Guyana kende het probleem van 'maronnage', zij het op veel kleinere schaal dan in Suriname. De oorlog tussen het koloniale leger in Suriname en de Bonnis en het verdrijven van deze weglopers in 1777 tot over de Marowijne en dus op Frans grondgebied, wekten gemengde gevoelens op. Enerzijds vreesde men dat de opstandige, verslagen Bonnis de Franse kolonie last zouden bezorgen en dat zij bij een hernieuwd treffen met Surinaamse troepen door deze op Frans grondgebied vervolgd zouden kunnen worden, met alle politieke perikelen van dien. Anderzijds wekte de komst van een groot aantal potentiële werkkrachten de hoop op, dat men daarmee in eigen tekort zou kunnen voorzien. Deze ambivalente gevoelens beïnvloedden het politieke contact tussen Frans- en Nederlands-Guyana vele jaren. Een lijvig rapport van de baron Bessner (11), oudcommandant van Cayenne (1773) geschreven in 1775 (dus nog v66r de vlucht der Bonnis over de Marowijne) bevatte een uitgewerkt plan om de Surinaamse Bosnegers over te halen naar Cayenne te verhuizen en ten bate van de Franse kolonie in te zetten. Het was een goed bedoeld, 'verlicht', maar utopisch en onuitvoerbaar plan, dat van veel verkeerde gegevens uitging. Goed bedoeld: hij wilde hen de kans geven om in een toegewezen gebied, in dorpen verzameld, een bestaan op te bouwen en een soort 'provincie' van de kolonie te worden. 'Verlicht': hij was van oordeel dat het een fout was te geloven dat 'l'espèce nègre est une espèce maudite dont on ne doit espérer aucun bien. Ceux qui pensent ainsi confondent les dispositions avec les effets de l'esclavage.' Utopisch: hij meende dat de Djoekas en de Saramaccaners bereid zouden zijn hun moeizaam verworven bestaansvorm voor deze lokroep op te geven en te migreren naar een onbekend onontgonnen gebied aan de kust, en een geheel andere en nieuwe levenswijze beginnen. Bovendien meende hij dat het om een bevolking van veertigduizend man ging, terwijl het er toen niet meer dan zesduizend waren. De intelligente econoom P. V. Malouet (12), die in 1777 door het Franse gouvernement op onderzoek werd uitgestuurd naar Suriname, schatte hun aantal op slechts drieduizend. Ook het aantal Bonnis dat de Marowijne overstak werd zeer overschat: men dacht dat het er acht à tienduizend waren, in werkelijkheid waren het er niet meer dan twee à driehonderd!
Niettemin, de essentie van Bessners plan dook telkens opnieuw op, om door tegenstanders even vaak bestreden te worden. Deze zagen met meer zin voor de realiteit niets in het gebruiken van Surinaamse weglopers om Cayenne's economie te helpen saneren.
Wat de Bonnis betreft: men wist dus niet goed wat men met hun aan moest. Terugjagen was geen oplossing, Suriname wilde hen niet hebben; accepteren als inwoners van de kolonie bracht weinig voordeel en misschien, gezien hun recalcitrantie, gevaren mee. Het gevolg was dat men een tussenweg koos. Men stuurde verkenners, missionarissen, geografen, militairen, met vage beloften en wat geschenken, en ontving in de hoofdstad een delegatie van Bonnis die men terugstuurde, ook met vage beloften en geschenken.(13) Deze vaagheid en ambivalentie leidden ertoe dat het Surinaamse gouvernement van de bedoelingen van het Frans- Guyanese geen duidelijk beeld kreeg (uit de toch a1 schaarse contacten). De Bonnis geloofden - of pretendeerden dat - de telkens hernieuwde beloften en brachten die berichten over aan de Djoekas. Waarschijnlijk ook om indruk te maken en geen gezichtsverlies toe te geven, gaven zij voor dat die beloften reeds gedeeltelijk waren ingelost. De voornaamste daarvan waren: Franse regeringsprotectie, het verschaffen van noodzakelijke gebruiksvoorwerpen en - dit was belangrijk - het verschaffen van wapens (geweren). De Djoekas brachten dit - via hun posthouder - weer aan het Surinaamse gouvernement over. Noch de Djoekas, noch het gouvernement wisten dus precies wat er aan de hand was. De onwetendheid van elkaars situatie, motieven en reacties hadden de gereleveerde onzekerheid van handelen van alle partijen ten gevolge.
Dat de Surinaamse regering ten slotte toch handelend optrad, de Djoekas weer aan zich wist te binden en de Bonnis met hun hulp tot ver in het Frans-Guyanese gebied achtervolgde was mede een gevolg van het feit dat Frankrijk de oorlog aan de Republiek had verklaard.
De mening van Wolbers (bladzijde 431) dat de Bonnis hun onverwachte aanval in 1788 deden vanuit een sterke basis, gesteund door Franse wapens, berustte dus op verkeerd geïnterpreteerde berichten. Integendeel: hun geïsoleerde positie, met als gevolg gebrek en interne moeilijkheden brachten hen tot de desperate poging nog eenmaal als vroeger wapens, mensen en gereedschappen van de plantages te bemachtigen.
II. De opstand der Zwarte Jagers: 1805
Aan het Korps Zwarte Jagers waren, zoals vermeld werd, een aantal Djoekas toegevoegd en, na de slag tegen de Bonnis in 1793, ook een aantal van deze groep. Hoewel zich na 1793 zo nu en dan nog moeilijkheden voordeden op plantages, waar negerslaven rebelleerden of wegliepen, en het Korps ingezet werd om de rust te herstellen, verminderde hun activiteit aanmerkelijk en daarmee discipline en strijdgeest.(14)
Tijdens het Engelse protectoraat (1799-1802) en tussenbestuur (1804-1816) was de kolonie financieel in een deplorabele toestand geraakt, evenals het verdedigingssysteem. De verschillende elkaar snel opvolgende gouverneurs trachtten met weinig succes orde op zaken te stellen. In die verwarde toestand brak op 7 September 1805 muiterij uit onder het Korps Zwarte Jagers, gedetacheerd op posten aan het Cordon Pad. Het gehele Korps bestond op dat moment uit 236 manschappen en twintig onderofficieren. Dertig man van de posten Imotapie en Oranjebo aan de Boven-Commewijne vermoordden een aantal blanken, haalden dertig slaven van een naburige plantage over mee te rebelleren en vluchtten naar de Marowijne, langs het pad dat leidde naar Armina, de militaire post aldaar. Ook daar werden blanken vermoord, het zwarte detachement voegde zich bij de rebellen, een ander van een kleinere rivierpost eveneens en gezamelijk trokken zo'n tachtig man de rivier op waar ze zich bij de Bonnis voegden. Gouverneur William Carlyon Hughes's (15) schreef bezorgde brieven aan Lord Castlereagh en Major General Beckwith, zijn chefs in Londen. Een detachement van zestig man (waaronder twintig Zwarte Jagers) onder majoor Roepel werd hen achterna gezonden maar zonder resultaat: de rebellen hadden Armina al bereikt, aangevallen en verlaten v66r iemand hen iets in de weg kon leggen. Hughes vroeg om versterking van de militaire macht: de bezetting van het Cordon was nu te klein en onbetrouwbaar, en hij vreesde een gezamenlijke aanval van de rebellen en de Bosnegers. Achtervolging vanuit Armina bleef achterwege na de moordpartij aldaar. In november van het zelfde jaar vielen de rebellen de post Armina opnieuw aan, maar deze, inmiddels versterkt, sloeg de aanval af. Hughes ging zich na deze aanval persoonlijk op de hoogte stellen in Armina en schreef er een verslag over naar Generaal Beckwith, op 29 januari 1806. (16) Na een zeer zware tocht, waarbij voorbij Armina een verlaten schuilplaats met hutten van de rebellen was gevonden, moesten Hughes en zijn mannen terugkeren. De bijzonder zware regenvallen maakten het passeren van de stroomversnellingen die tot ware watervallen waren aangezwollen, onmogelijk. Zij kwamen niet verder dan de 'Peter Zonken'-val, (dit is Pedro Soengoe val), schreef Hughes, zes dagen varen boven Armina.
De Bonnis hadden zich, naar gerapporteerd werd, zes dagen varens boven de vallen teruggetrokken.
Een jaar later werden vier rebellen, die zich 'uit behoefte aan vrouwen op een plantage in een hinderlaag lieten lokken, gevangen genomen en ter dood gebracht. Bij hun ondervraging bleek dat de muiters ook steun van de Djoekas hadden gekregen in de vorm van onderdak en kostgronden. Dit zijn de schaarse, bekende feiten. Zoals Wolbers schreef (17), schrik en angst vulden de gemoederen, maar de beweegredenen van de rebellie bleven voor hem in het duister.
Echter: tijdgenoten noch geschiedschrijvers beschikten over gegevens die licht konden werpen op de gebeurtenissen. Uit documenten in de Nederlandse en Engelse archieven blijkt dat er we1 degelijk een onderzoek naar de achtergronden van de zaak is ingesteld. Dit wees uit dat de rebellie niet uit de lucht kwam vallen en deel uitmaakte van een proces van gebeurtenissen dat ook na de rebellie nog doorwerkte. Het onderzoek werd ingesteld op verzoek van Gouverneur Hughes in 1806 en op 29 april ingeleverd door de Commissie van onderzoek: E. M. Schelkes, L. van Heinigen, H. Stockel, D. F.Schas en F. V. Heshuysen. Het rapport geeft advies over een reorganisatie van het Korps 'Colonial Chasseurs', en geeft een verslag van een onderzoek naar de redenen 'of the late disturbances and mutiny of part of the said Corps of Free Negroes.
Het rapport gaat uit van vier punten:
1. Organisatie van het Korps door het huidige (Engelse) Gouvernement en de daardoor ontstane onzekerheid ten aanzien van hun civiele en militaire situatie.
2. De plotselinge verbetering van salaris en uitrusting in 1799 en opnieuw in 1804.
3. De abrupte verandering van discipline van onvoldoende subordinatie naar plotselinge strikte militaire onderwerping.
4. Het toevoegen van een aantal Bonni-negers aan het Korps.
ad 1 . De Hoven van Politie en Justitie hadden bij de oprichting van het Korps welbewust gekozen voor een niet-militaire organisatie, en de voorkeur gegeven aan een vorm van 'interne militie' die, hoewel gebonden aan bepaalde vastgelegde regels, beter aangepast kon worden aan de specifieke aard van het Korps. Dit hield onder meer in dat overtredingen en misdaden niet onder militaire rechtspraak vielen maar door het Hof van Justitie werden berecht. De plotselinge overgang zonder voorafgaande uitleg van burgelijke naar militaire rechtspraak waarbij onder meer straffen werden uitgedeeld voor vergrijpen die voordien niet strafbaar werden geacht, veroorzaakte ontevredenheid 'among beings which are much less capable of reasonings than the Whites'. Aanvankelijk bleek die ontevredenheid slechts uit een verhoogde desertie of langere absenties, ondanks de verbeterde financiële situatie, de verhoogde : rantsoenen en nieuwe uitrusting.
ad. 2. Het Korps, samengesteld uit aangekochte slaven, beschouwde de minimale betaling, uitrusting en victualisering die ze sedert hun oprichting kregen reeds als een grote verbetering vergeleken bij hun slavensituatie. Hun leiders, de conducteurs, benoemd door de Hoven, en erkend als mensen die goed met hun Korps konden opschieten, stonden hun vrijheden toe die de stemming ten goede kwamen: zij mochten van tijd tot tijd hun familie op de plantages bezoeken en kregen gelegenheid te gaan jagen en vissen om hun magere rantsoenen aan te vullen. De plotselinge verbetering van hun materiële situatie had tot gevolg dat zij zich nu van alles konden en wilden aanschaffen, waar zij tot nog toe de behoefte niet aan hadden gevoeld 'most of them experienced the fate of many Whites, who frequently cannot bear the luxuries of life'. Het drinken van alcohol vooral nam toe, met het gevolg dat de leiders vaker en tot strenger straffen werden gedwongen als gevolg van excessen, dan voorheen.
ad. 3. Sedert de binnenlandse rust in de kolonie na de Bonni-oorlogen was hersteld, had het Korps veel van zijn nut verloren. Ze werden verwaarloosd door hun superieuren, die verzaakten hen actief bezig te houden met 'plichten', hun leiders waren niet m&r van het gehalte van hun vroegere 'conducteurs'. 'Idleness occasioned most of them to give free vent to their old habits and weaknesses.' In deze situatie begon Generaal Majard in 1799 verandering te brengen. Zonder zelfs het Hof erin te kennen werd het Korps onder militaire discipline geplaatst, zonder voorafgaande instructies over wat dit voor hen inhield, en zonder een periode van overgangsmaatregelen om hen aan de nieuwe situatie te doen wennen. De schrik en verwarring onder de Zwarte Jagers was groot.
ad. 4. In 1795-'96 en 1797 werden een aantal Bonnis bij het Korps ingelijfd, hoewel een aantal leden van de regering, die niet geloofden in de door de Bonnis gepretendeerde goede intenties 'to wipe away the stain of their crimes', ertegen was. Zij bleven echter, zoals pas na de rebellie bleek, geregeld contact houden met vrienden en familie bij de Bonnis door tussenkomst van de Djoekas. Dit contact werd vergemakkelijkt via de militaire post Armina, te meer daar, sedert het einde van de oorlog tegen de Bonnis het wantrouwen der blanken tegen de Djoekas zeer verminderd was. Ochs, de luitenant-bevelhebber van de post Armina, die door de rebellen werd vermoord, stond zijn mensen (het contingent Zwarte Jagers) veel toe: zij mochten vaak voor langere tijd weg. Het contact tussen Bonnis en Djoekas was frequent en zonder enige suspicie te wekken bereidden zij hun plannen voor: er werden kano's gebouwd, kostgronden aangelegd en schuilplaatsen gemaakt. Zonder deze voorzieningen vooraf waren de rebellen nooit in staat geweest de rivier over te steken en zich langere tijd schuil te houden in de buurt van de post Armina. Hoewel, zegt de commissie van onderzoek, het niet geheel vaststaat dat de rebellie zonder de aanwezigheid van Bonnis in het Korps niet zou zijn uitgebroken, heeft hun hulp zeer veel bijgedragen tot het succes ervan.
De commissie was van mening dat ook onder de niet-muiters van het Korps Jagers nog ontevredenheid bestond en raadde het Hof aan een onderzoek in te stellen naar de redenen, en maatregelen te nemen bijvoorbeeld door hen duidelijk te maken onder welke jurisdictie het Korps viel, en de wrijvingen tussen officieren en manschappen op te heffen, door hen gelegenheid te geven de bestaande klachten naar voren te brengen en die te onderzoeken. Wat van die laatste voorstellen terecht is gekomen is mij uit de archieven niet gebleken. Wat hun argumenten voor de ontevredenheid onder het Korps aangaat is het, afgezien van hun wat moraliserende toon, duidelijk dat deze tezamen voldoende redenen geven voor de opstand. De voornaamste was zonder twijfel de plotselinge verandering van organisatie: een betrekkelijk losse, aan de groepsbehoefte aangepaste discipline met 'conducteurs' die hun mensen niet als gewone militairen behandelden, en eerder optraden als 'condottieri' dan als hogere officieren, die omgezet werd in een op Europese militaire basis gebaseerde discipline met alle rigiditeit van dien. Een militaire stijl die bij de omstandigheden en de aard van de conflictsituaties van het land ook voor Europese militairen moeilijk te dragen was. Een andere, zeker ook belangrijke oorzaak was de toevoeging aan het Korps van een aantal Bonnis en - het rapport noemt dat niet expliciet - Djoekas. Nog afgezien van hun achtergrond van strijders tegen onderdrukking, en de psychische druk die het voor hen moest zijn nu tegen eigen mensen ingezet te kunnen worden, bleken ze ook nooit geheel het contact met hun groep verloren te hebben. Dit gevoegd bij de eerstgenoemde oorzaak maakt de rebellie in plaats van een duistere, integendeel tot een duidelijk verklaarbare zaak. Het argument van de commissie dat ze de weelde van een hoger soldij en betere uitmonstering niet konden verwerken lijkt minder aannemelijk. Men zou beter kunnen stellen dat de bestaande onlustgevoelens ook daardoor niet weggenomen konden worden. Het leven in het oerwoud zou in ieder geval een sterke verlaging van levensstandaard ten gevolge hebben en dat wisten de rebellen we1 degelijk. Niettemin verkozen zij de vrijheid. Het Korps heeft overigens nog vrij lang bestaan. De Encyclopedie van Nederlandsch West- Indië bladzijde 426 meldt dat het in 1818 van naam veranderde in 'Corps Koloniale Guides', en in 1834 nog eens in 'Compagnie Koloniale Guides'. Het werd tot 1830 nog aangevuld met negers, rechtstreeks (clandestien) uit Afrika aangevoerd, de 'zoutwaternegers', die goedkoper waren dan de slaven die van de plantages werden gekocht. Na 1840 werden de 'Roodmutsen' als roeiers gebruikt op de buitenposten.Het overgebleven groepje van enkele tientallen rebellen had zich met toestemming van de Djoekas op een eiland bij de samenvloeiing van de Tapanahoni en de Lawa in de Marowijne gevestigd: Poeloe Goedoe. Er is weinig over hen bekend. Wong zegt op bladzijde 316: 'Daar bij de oprichting van het Korps de grootst mogelijke selectie was toegepast, stonden zij in ontwikkeling hooger dan de doorsnee boschneger. De Aucaners stelden daarom op het behoud van deze groep geen prijs. Herhaaldelijk moest de posthouder rapporteren dat een 'rebel', van vergiftiging verdacht, levend was verbrand.' Niettemin heeft het dorp Poeloe Goedoe ook nu nog enkele tientallen inwoners, en deze worden als Redi Moesoe beschouwd.
III Hernieuwde verdrag met de Djoekas: 21 september 1809
In 1809 werd een nieuw verdrag gesloten met de Djoekas: een hernieuwing en een aanvulling van het vredesverdrag van 1760. Dit verdrag werd noodzakelijk geacht in verband met de in het voorgaande beschreven gebeurtenissen: de strijd tegen de Bonnis, de opstand der Zwarte Jagers en de houding van de Djoekas hierbij. Weliswaar hadden de Djoekas beloofd er zorg voor te dragen dat de Bonnis geen last meer aan de kolonie zouden bezorgen (in 1791) en hadden datzelfde gedaan voor de 'rebellen' in 1805, maar men wilde die beloften in een officieel verdrag vastgelegd zien. Dit drong te meer, daar de Djoekas in de jaren na de opstand van 1805 weer aanzienlijk verslechterd was. Ook hierover is in de officiële literatuur haast niets te vinden. Sommigen melden dat er een verdrag gesloten werd omstreeks die tijd, een enkeling maakt er melding van dat de Djoekas daarbij beloofden Bonnis zowel als 'Redi Moesoes' onder hun zeggenschap te zullen houden. Noch de wijze waarop het verdrag tot stand kwam, noch de precieze inhoud wordt vermeld. Ook hiervoor zal de oorzaak liggen in het feit dat de historici slechts in zeer beperkte mate de beschikking hadden over, of van het bestaan wisten van, de documenten die er betrekking op hadden. Ze waren gedeeltelijk geheim en lagen en liggen verspreid in Suriname, Nederland en Engeland.
Engelse en Nederlandse archieven en manuscripten van Mr. Adriaan François Lammens (19) leverden mij de hier volgende gegevens op. Op 10 juli 1807 schreef W. Hughes, gouverneur van Suriname sedert 1805, aan Lord Castlereagh weer een verontruste brief. (20) De Djoekas beklaagden zich bitter over het feit dat het Gouvernement zich niet hield aan de overeenkomst van 1760 en met name niet aan de toegezegde zending geschenken die hen op geregelde tijden gezonden moesten worden. "Zij hadden die al in geen jaren meer ontvangen en hadden bij monde van de posthouder aan het Gouvernement doen weten 'that if they do not obtain redress of those grievances, they will no longer restrain (as they had hitherto done) the Revolted Chasseurs from ravaging and plundering the plantations'. Hughes had a1 eerder, in december 1806, om toezenden van geschenken gevraagd, maar zonder resultaat; een verzoek om militaire versterking om eventuele aanvallen te kunnen afslaan werd evenmin ingewilligd.
Het wordt uit de correspondentie niet duidelijk wanneer de laatste uitdeling had plaatsgevonden. De laatste aanwijzing die ik zelf in de archieven vond, dateert van 1782, en daarin spreekt men van een driejaarlijkse uitdeling. De volgende zou dan plaats hebben moeten vinden in 1785, het jaar waarin zoals we zagen weer nieuwe aanvallen op de plantages werden ondernomen. In 1789 werd de strijd tegen de Bonnis hervat, de Djoekas speelden er een rol in, waarbij zij zich pas in 1793 duidelijk aan I de kant der blanken hadden geschaard. In 1799 werd de macht in Suriname door de Engelsen overgenomen, eerst tot 1802, daarna van 1804 tot 18 16. Politiek en economisch was de kolonie in grote verwarring en het is dus niet te verwonderen dat van een geregelde verzending van geschenken weinig terechtkwam, te meer waar ze voor het grootste deel uit Europa moesten komen, door het moederland worden betaald, en in het binnenland afgeleverd worden. Hughes was met het Hof van Politie van mening dat hernieuwde aanvallen van de Rebellen - en eventueel de Bosnegers - slechts door het snel zenden van geschenken kon worden voorkomen en schoot geld voor uit de 'Sovereign Chest, as far as fifteen thousand guilders, which will probably fall short of even half the expenses that must be incurred on this occasion'. De brief van Hughes had blijkbaar geen gevolgen, want 26 augustus 1809 schreef Graaf Charles Bentinck, die hem na zijn plotseling overlijden op 2 mei was opgevolgd, over hetzelfde onderwerp aan Lord Castlereagh. (22)
Hughes had, meldde Bentinck, stappen ondernomen om een einde te maken aan deze 'Melancholy Business' en de Djoekas tot het sluiten van een nieuw contract te bewegen en zij waren bereid daarop in te gaan. Het Hof van Politie had een commissie een ontwerpverdrag laten opstellen, dat op 23 augustus 1809 werd voorgelegd aan de 'Kleine of Conferentie Raad' onder voorzitterschap van Bentinck. Het conceptverdrag, de instructies voor de onderhandelaars, de lijst van presenten en de militaire escorte werd op 31 augustus 1809 door het Hof van Politie goedgekeurd. (23)
Het conceptverdrag luidde aldus:
Art. I dat het Vreedens Tractaat van de Jaaren 1760 hiermeede word verstaan te zijn hernieuwd en alzo te blijven in vollen kracht en waarde, nogthans onder de volgende Applicatie, en Alteratie, als
Art. II dat hierbij zal worden verstaan, dat al het voorgevallene met en omtrend de Rebellen van het Corps Coloniale Jagers niet kan begreepen worden als eenige betrekking hebben op welgemeend Tractaat van den Jaaren 1760, maar integendeel, dat zij Aucaaners zullen gehouden worden en Verplicht zijn, om bij de toekenning en bezweering van dit vernieuwd Verdrag, en bij het ontfangen der presenten, dadelijk uit te leeveren de Rebellen en de Weggeloopen Coloniale Jagers, immers voor zoverre Sij dezelven zullen kunnen machtig worden, ofte by volstrekte wegering van dien, dat Sy zig alsdan ten plegtigsten zullen verbinden, en de Regeering guarandeeren, dat gemelde rebellen, hetzij direct ofte indirect, niets zullen onderneemen teegens de Blanken ofte teegens hunne Eigendommen, en tot meerdere verzeekering van dien stellen twee Ostagiers, uit de Famille hunner Opperhoofden, dewelke gehouden zu!len zijn aan Paramaribo te resideeren, en daartoe van de Regeeringe een behoorlijk Onderhoud zullen genieten.
Alteratie art. II dat in gevalle de Regeering t' eenigen tijd goedvinden mogte, omme de gemelde Rebellen te Attaqueeren, Zy Aucaaners, niet a11één zig teegens eens zodanige Expeditie niet zullen verzetten of de Rebellen op eenigerby wyze, hetzy door het geeven van Schuilplaatzen of andersints te probeeren maar in allen opzichten behulpzaam zyn. Terwyl Zy Aucaaners tot meerdere verzeekering hiervan, zullen stellen twee Ostagiërs.
Art. III dat Sy in allen gevallen, dadelyk, by het teekenen en bezweeren van dit Verdrag, en het ontfangen der Presenten, zullen uitleeveren alle de weggeloopene Neegers van Plantagien zowel uit Surinamen, als andere Rivieren, welke zig nog onder hun bevinden, met plegtige Beloftenisse, omme ingevolge het vorige Tractaat van 1760 bij deezen hernieuwd alle de Weggeloopene Neegers, dewelke in het vervolg, en van tijd tot tijd, zig by hun 7ullen koomen te begeeven ofte door hun worden opgevangen, teegem de daartoe gestelde Premien dadelyk te zullen uitleeveren.
Art. IV dat zy meede gehouden en Verpligt zullen zyn ingevolge Art. 6 van het Tractaat van A* 1760 by het overlyden van hun Grootopperhoofd daarvan met den eersten kennisse aan de Regeering te geeven, met opgave van Syn Opvolger, ten einde dezelven kan worden geapprobeerd, en zal het getal hunner Opperhoofden of Loos geenzins mogen worden vermeerderd, maar bepaald blyven op denzelfden voet en inrichtinge als by het oude Tractaat is vastgesteld.
Art. V dat zy alle communicatie, vriendschap en verstandhouding met de Neegers van Bonie zullen afsnijden, 70 lange dezelven zig als Vyanden van de Regeering gedraagen, en hun uit hunne dorpen, en woon plaatsen doen verwyderen. Art. VI dat de Regeering daarenteegen aan hun accordeert, en toestaat by aldien zy lieden getrouw en getrouw blyven aan de conditien van dit en het voorige Verdrag, de ordinaire Jaarlyksche Presenten welke hun ieder jaar op de Post Victoria zullen worden overgegeeven.
Alteratie Art VI dat de Regeering hun voortaan in plaatse van om de drie Jaaren om de twee Jaaren presenten zoude geeven, enz.
Een deputatie werd naar de militaire post Hughesburg gestuurd, gelegen aan de Suriname-rivier, tegenover een zijrivier: de Sarakreek. Aan deze kreek zette zich de Djoeka-delegatie neer. De commissie - met militaire escorte - kwam op 10 September 1809 in Hughesburg aan. Het Grootopperhoofd Bambi, tezamen met de Hoofden van de Loo's (onderstammen) en verder gevolg waren reeds op 14 augustus aan de Sara-kreek aangekomen. Hun eerste vraag bij de ontmoeting van 11 september was dan ook om voedsel.
De onderhandelingen over het verdrag duurden tot 21 september. (24)
De Djoekas, als steeds harde onderhandelaars, stonden sterk. Hun dreigementen de rebellen toe te staan aanvallen op de kolonie te nemen, werden door de kolonie au serieux genomen, en meer dan dat: zij hielden een mogelijke overval van de Bosnegergroep of -groepen ook voor mogelijk. Hun eis om de hun toekomende presenten @ sturen werd ingewilligd. Hun in 1805 gedane belofte de rebellen te beletten de kolonie lastig te vallen wilde men contractueel vastgelegd zien. Daar hadden de Djoekas geen enkel bezwaar tegen: bij een hernieuwd contract konden ook zij nieuwe eisen stellen. In feite hadden zij bij de hele zaak dus alleen voordeel. Het handjevol rebellen en de verzwakte Bonnis bedwingen kostte hun geen moeite. Integendeel (en dat maakte hun dreigementen loos, iets wat de regering niet zag) zij hadden ook daar voordeel van: in ruil voor een verblijfplaats en de belofte hen niet uit te leveren verrichtten de rebellen (en de Bonnis) diensten. Wat dit verdrag betreft: bij de onderhandelingen weigerden de Djoekas dan ook rebellen of Bonnis uit te leveren: zij hadden een eed met hen gezworen dat niet te doen. Ook een aantal weglopers weigerden zij uit te leveren op grond van dit argument. Zij eisten en kregen een vrije doorvaart door de Wane-kreek (een rivier die de Marowijne met de Courmotibo, een zijrivier van de Cottica, verbindt), waardoor de verbinding tussen Marowijne - Cottica - Commewijne - Paramaribo veel korter werd. (Tot nog toe was de meest gebruikelijke verbinding via de Tapanahoni, de Tosso-kreek - een stuk over land - de Sara-kreek, de Suriname- rivier, naar Paramaribo, een lastig en langer parcours).
Toestemming voor het inwilligen van deze eis moest een lid van de commissie in Paramaribo gaan halen, aangezien zij geen volledige volmacht hadden. Ook moest de regering toestaan de eis alle weglopers én de rebellen uit te leveren, te laten vallen. De regering kon niet anders doen dan toegeven, gezien het dreigement van de Djoekas de onderhandelingen te zullen afbreken, en bovendien een dreigende slavenoptand op een aantal plantages te zullen steunen. (Ook hier school weer een flink element bluf in, maar de regering schrok terug voor elk risico.)
De eenentwintigste september 1809 werd het Verdrag officieel gesloten. Handtekeningen (kruizen voor de Djoekas) werden geplaatst, de 'Swerie' werd gedronken: blanken en Djoekas mengden wat bloed met drank en dronken daar allen van. De vijfentwintigste september werden op de post Victoria de geschenken uitgedeeld, waarbij elke Loo zijn deel kreeg, en het Groot Opperhoofd nog enkele speciale geschenken van de Gouverneur: een geweer met zilver gemonteerd, een vergulde houwer (kapmes), een jachtzak, een hoed met goud omboord en gepluimd, een deken, een koperen ketel en een koffieketel. Een lijst van de geschenken is in de archieven niet meer te vinden, maar we1 geeft A. von Sack, die in 1811 in Suriname was, hiervan een overzicht (op bladzijde 117-118):
52 geweren, 53 vaten buskruit i3 25 pond, 2000 pond schroot no. 0, 2000 vuurstenen, 547 neger-bijlen, 549 schoffels, 277 hakmessen, 306 messen met gele hechten, 122 scheermessen, 16 molenstenen, met assen en hand- vatsels, 111 tafelmessen, 115 scharen, 18 klisteerspuiten, - 34 lancetten tot aderlaten, 115 geelkoperen zwamdoosjes, 113 kleine spiegels, 2000 vishoeken, 2000 naalden,I 315 pond versierselen van allerlei soort, 615 pond kralen, meest witte, 34 hoeden voor Opperhoofden, 61 stukken vriesbont elk 50 yard, 11 stukken vriesbont elk 21 . yard, 220 rode Oostindische zakdoeken, 8 fijne hemden en 1 gedrukte nachtrok voor de Opperhoofden, 53 stukken Silesisch linnen, 64 vaten zout, 570 vaten brandewijn, 120 ijzeren potten, 460 ellen Hollands linnen, 4 vaten lampolie, 6 kisten met zeep, 2 kisten met kaarsen, 65 pond wit en zwart naaigaren, 1828 groene messen.
Bij een aantal resoluties, verbonden aan de hoofdpunten van het verdrag, hoorde ook de bepaling 'dat zij in het vervolg indien zij slaaven willen kopen, of kinderen die zij bij negerinnen aan Paramaribo of in de Rivieren hebben, zij eerst zig bij Heeren Gecommiteerden of die in Commissie zijn, zullen adresseeren.' Deze interessante clausule bewijst ten eerste dat de Djoekas geen bezwaar hadden tegen het instituut slavernij; ten tweede dat zij bij hun handel met de kustgebieden blijkbaar genoeg geld konden verdienen om zich een slaaf aan te schaffen (minstens driehonderd gulden) en ten derde dat hun contact met de bevolking zeer intensief kon zijn. Het uiteindelijke contract is in de archieven niet te vinden, maar we1 in deel XI1 afdeling 2 van de handschriften van mr. Adriaan François Lammens. Hier vinden we een verkorte versie van het gesloten contract, luidend:
Art. I Het vredesverdrag van 10 October 1760 vernieuwd met de navolgende amplificaties.
Art. 2 Aan hun wordt vergeven het sluiten van een vredesverdrag met de Bonni Negers en met de rebellen van 's Lands Vry Corps onder de volgende conditien.
Art. 3 Zij garanderen de kolonie tegen de aanvallen der Bonni Negers en de rebellen om het Vry Corps en in geval men hun wilde verdelgen, zullen zij zich onzijdig houden.
Art. 4 Ingeval er onder van het Vry Corps rebellerenden zullen zijn, die bevechten en geen schuilplaats verlenen, en zullen genieten f 250,- voor ieder die zij uitleveren.
Art. 5 Zij zullen ook attaqueren rebellerende slaven van de plantagien boven Commewijne, Perica, Cottica, die zij zullen dan niet herbergen en zich onthouden van de Bonni Negers gebieden; om iedere rebel van hun gevangen of gedood zullen zij genieten f 150,- en het terugbrengen van weglopers f 50,-.
Art. 6 Zij zullen overleveren 16 stuks weglopers van Gr00t en klein Juda.
Art. 7 De vijf overige weglopers onder hun zullen zij niet gehouden zijn uit te leveren.
Art. 8 Voor het uitleveren van de 16 stuks staat de regering hun de vrije doorvaart toe langs de Wane kreek tot Paramaribo. In de Wane kreek zal de regering een post houden, en worden hun enige plantagien aangewezen in hun weg, ten einde tegen het weglopen der plantagien negers te waken.
Art. 9 De Regering verbindt zich de door hun teruggebrachte slaven nimmer in militaire dienst te nemen en de eene Loo (gemeente) blijft voor de andere in het uitleveren der slaven aansprakellijk.
Art. 10 Zij zullen straffen de Aucaners welke zich vergrijpen aan de blanken en aan hun zullen die Aucaners welke kwaad gedaan hebben en degenen die bij de blanken zich verschuilen, op hun request aan hun overgegeven worden.
Art. 11 Zij blijven subject de militaire visitatie, doch zullen op een permissiebillet van de gouverneur de nodige jachtbehoeften in Paramaribo kunnen komen kopen.
Art. 12 Zij zullen geven twee gijzelaars, de regering za1 voor hun kost en logies zorgen.
Art. 13 De Regering zal bij hun een posthouder en resident en twee bijleggers houden. Zij zullen hem een goed logies bezorgen, tegen betaling zulllen zij om de 3 maanden een vaartuig met jongmans leveren, ook wanneer de posthouder een vaartuig tot zijn transport vordert.
Art. 14 Als zij zich getrouw gedragen zullen de presenten om de twee in plaats van om de drie jaren gegeven worden, te brengen aan de post Armina en het rouwgoed aan de Opperhoofden zoals gebruikelijk is.
Art. 15 Het getal der Opperhoofden of Lo mag niet vermeerderd worden, en daar op hun verzoek de doorvaart op de Sara-Creek vervangen wordt door de Wane-kreek zullen zij zorgen dat de Aucaners daarvandaan ook verhuizen en zich naar de Marowijne begeven.
Wat dit laatste artikel betreft: aan het terugtrekken van de Djoekas uit de Sara-kreek werd geen gevolg gegeven. Zij hadden zich daar a1 in 1793 gevestigd: Friderici moedigde hun verblijf daar aan. In 1830 woonden er driehonderd vijftig Djoekas in tien dorpen.25 De voornaamste verschillen met het conceptverdrag zijn, dat de regering de eis om alle weglopers en rebellen uit te leveren moest laten vallen, en aan de eis der Djoekas een doortocht door de Wane-kreek te krijgen moest toegeven. De zeggenschap van de Djoekas over de Bonnis werd hun door de regering in 1860 ontnomen, zeer tegen de zin der Djoekas.26 De beperkingen op de doorvaartroute naar Paramaribo (visitatie, passen, vaste aanlegplaatsen) werden in 1865 opgeheven.27 De verhouding tussen de Bosnegergroepen en de regering bleef nu redelijk goed, vooral omdat men zich op een enkele uitzondering na niet met elkaar bemoeide. Pas in de laatste jaren wordt het contact intensiever en is een proces van verandering ingezet.
Silvia de Groot - Amsterdam, 1970
(noten apparaat volgt)
Dat houdt in dat de geschiedenis van het Caraibisch gebied niet los gezien kan worden van Zuid- en Midden-Amerika, noch van Afrika, noch van - in de 19e eeuw - Azië. Het spreekt vanzelf dat ik uit dit ruimte en tijd omspannend gebied een keuze moest maken. Om op bevredigende wijze kandidaats- en doctoraal-werkgroepen te begeleiden bleek het wenselijk eerste- en tweedejaars studenten in te wijden in de eerste beginselen van de geschiedenis van niet alleen het Caraibisch gebied, maar ook in die van Latijns- en Midden- Amerika en van Afrika, met name West-Afrika, met als onderwerpen: expansie, verovering, kolonisatie, plantagewezen, gedwongen arbeid en vooral de reacties daarop van de betrokken groepen. Zo'n 450 studenten volgden die colleges. De werkgroepen hadden vervolgens voornamelijk de genoemde reacties tot onderwerp, in respectievelijk de drie behandelde regio's. Met een deel van die werkgroepen werd onderzoek gedaan in archieven: het Algemeen Rijksarchief in Den Haag en het Gemeente-Archief in Amsterdam. Vaak lagen tentamens, kleine en grote scripties in het verlengde van de college- en de werkgroep-onderwerpen.
Dit, wat betreft mijn onderwijstaak, die mij, en naar ik hoop ook mijn studenten, zeer heeft bevredigd.
Wat mijn onderzoek betreft: dat heb ik eigenlijk nooit als een door mijn werkgevers opgelegde taak gezien. Het was meer een meevaller, dat datgene wat ik graag doe, ook als een deel van mijn opdracht gold. Het is de meesten onder U wel bekend waarmee ik me voornamelijk bezig houd: de geschiedenis van de marrons in Suriname. Ik wil daar echter toch nog wat toelichting op geven.
Bij het overdenken van het onderwerp van deze lezing heb ik mij weer eens afgevraagd waarom en hoe ik tot deze preoccupatie ben gekomen. Ik meen dat mijn belangstelling is te traceren naar mijn jeugdbelevenissen. Zowel mijn behoefte naar kennis van "anderen" in het algemeen als de wijze waarop ik die kennis tracht te verwerven, heeft met mijn jeugd te maken. Die speelde zich af in Indonesië. Van mijn 5e tot mijn 12e had ik vrij intensief contact met de bewoners van het eiland dat wij toen bewoonden: Bali. Ik had vriendinnen en vriendjes die Balinees waren, en die ik bezocht en die mij bezochten. Dat was in die tijd - 1925-1931 - vrij uitzonderlijk. Mijn ouders waren daarin liberaler dan de meeste anderen. Ook bracht ik veel tijd door met de vijf of zes bedienden die mijn ouders er op na konden houden. Dat beviel ze minder, maar daar zij beiden werkten en veel weg waren, konden ze dat niet verhinderen. Die contacten waren van enorm belang. Onder leeftijdsgenoten was de gelijkwaardigheid van anderen een vanzelfsprekend gegeven. Oudere bedienden echter waren deels mijn opvoeders en deels mijn vertrouwde toevlucht. De tuinman leerde mij met planten en dieren omgaan, zijn vrouw de kokkin vertelde mij legenden en nam mij mee naar de markt. De baboe, een scherpzinnige en felle vrouw, met veel ironie en sarcasme, sprak mij over het leven in haar dessa met haar familieleden, met alle achterklap, drama's en humor van dien. De huisjongen was een vreemde clown, van wie verteld werd dat hij 's avonds op feesten de blanken, en met name mijn ouders, met groot succes imiteerde. Ook voor mij voerde hij daar soms staaltjes van op, tot mijn grote vreugde en bewondering. Enerzijds dus vervangende broertjes en zusjes, anderzijds vervangende ouders, allen van een andere kleur en cultuur. Maar er is een ander facet: mijn eigen positie. Ik was ondanks alles niet één van hen, maar voelde mij ook niet meer helemaal thuis in het kamp van mijn ouders. Het wáren kampen: de kinderen en mijn ouders - hun onderwijzers, en de bedienden en mijn ouders - hun werkgevers. Deze situatie heeft mij bepaald: iemand die tussen twee werelden staat en tussen conflicten en relaties.
Ik ging sociale geografie, volkenkunde en geschiedenis studeren. Toen ik afgestudeerd was moest ik een onderwerp kiezen: welk land, welk volk en welke geschiedenis. Indonesië was door de onafhankelijksstrijd op dat moment onbereikbaar. Toen vond ik Rudie van Lier op mijn pad, die mij naar de geschiedenis van Suriname en het rijke bronnen-materiaal in het Algemeen Rijksarchief verwees en die geschiedenis voerde mij naar de marrons. En zie, aldra bleek dat ik mij bij mijn onderzoek weer bevond in het gebied dat ik kende: kennis verwervend over anderen en over hun conflicten en relaties onderling en met het andere kamp. En ook: de positie, de acties en reacties van de intermediair, de persoon tussen die twee kampen. Het grote belang van archiefonderzoek naar documenten van juist deze tussengroep is dat zij degenen zijn die de contacten leggen tussen de twee kampen: de marrons en de kolonisten, en die kennis overdragen van beide. Hun verslagen, rapporten en brieven zijn ter plekke, als ooggetuige, opgesteld. Het is hun interpretatie van de waarheid, zeker, maar nog niet gekleurd door tekst, context en herinterpretatie van derden. Los van het materiaal dat zij aandragen is hun visie op mensen en op de natuurlijke omgeving van belang. Enerzijds geeft die visie inzicht in het denkpatroon in de tijd van de verslaggever, anderzijds onthult deze de onderzoeker van nu de veranderingen in denkprocessen, die zich tussen toen en nu hebben ontwikkeld.
Hoewel de intellectuele status van de intermediair: kennis van taal en gemeenschap en het vermogen iets duidelijk op schrift te stellen, het onderzoek vergermakkelijkt, is dat niet strikt nodig. Krakkemikkig geschreven, emotionele, bevooroordeelde rapporten zijn vaak uiterst interessant. De intermediair kan tot op zekere hoogte getoetst worden op zijn waarheidsgetrouwe weergave door er documenten van anderen over hetzelfde onderwerp mee te vergelijken. Een belangrijk facet dat het document van de intermediair ons verschaft is het verslag, opgetekend uit de mond van de marrons zelf. Zonder die opgetekende verslagen en rapporten en die "orale" mededelingen zouden we nauwelijks in staat zijn de geschiedenis van die groep, anders dan eenzijdig, te bestuderen. Bovendien verschaffen die verslagen van dialogen een extra inzicht in de reacties van de marrons, en de mate waarin zij van de intermediair gebruik maakten door wensen en meningen aan hem door te geven.
Ik wil nu ingaan op de aard van de documenten en die van de intermediair, de persoon, die met een opdracht door één van beide kanten het veld, hier het Surinaamse oerwoud, in werd gestuurd. Daarbij maak ik onderscheid tussen documenten en intermediairs van vóór de vredesverdragen tussen marrons en kolonisten van 1760 en van daarna. Vóór 1760 is het archiefmateriaal over directe contacten met de marrons practisch geheel van militaire aard. Het zijn verslagen van kleine en grote patrouilles, die uitgezonden werden om gedeserteerde slaven op te vangen of te doden. De verslagen zijn opgetekend door leiders en deelnemers aan burger-, militie- en militaire tochten. Een voorbeeld daarvan is het geheel van verslagen over tochten en marrons bij de Saramaka-rivier in 1730, een eerste, mislukte, poging om een vorm van vrede te bereiken.(1) Het interessante van dat verslag is dat het hele verloop te volgen is op de beroemde kaart uit 1737 van Alexander de Lavaux, tevens de schrijver van het verslag. Andere belangrijke rapporten zijn die van de joodse kapitein Nassy, die vele, zo'n 30, expedities aanvoerde. Ook over een tweede, bijna gelukte poging tot vrede in 1749-1750 zijn vele rapporten te vinden.
Na 1760 namen de documenten toe in aantal en in onderwerp. De betrokkenen bij de vredessluiting, zowel militairen als burgers, schreven uitgebreide verslagen. Vermeldenswaard is dat de eerste aanwijzingen voor de blanken dat de marrons tot vrede bereid bleken bijna onleesbare, in het Engels geschreven, briefjes waren van de voormalige slaaf Boston, die bij aanvallen op plantages werden achtergelaten. Deze briefjes zijn helaas verloren gegaan. Na 1760 vinden we een veel grotere verscheidenheid van intermediairs: 1. posthouders; 2. afgezanten met speciale opdrachten; 3. militairen; 4. commissies met gemengde opdrachten; 5. zendelingen en missionarissen. Ik wil volstaan met U een aantal voorbeelden te geven van informatie van posthouders, speciale afgezanten en van militairen.
De posthouders waren ambtenaren (in de eerste jaren militairen) die, na het sluiten van de vrede met de drie marrongroepen, op de standplaats het Groot-Opperhoofd werden gestationeerd en die verplicht waren rapporten, verslagen en missives te sturen naar de koloniale regering over het doen en laten van de marrons. Hun documenten zijn uitermate belangrijk, ook al is de één beter in staat informatie te verschaffen dan een ander. De reacties van de marrons op de beperkingen en voordelen die de vrede hen verschaften, hun relatie tot de blanken in het algemeen en de posthouders in het bijzonder vindt men vermeld in deze documenten. Ook de reacties van de posthouders zelf, hun vaak pathetische persoonlijke 'verslagen, zijn de moeite van het bestuderen waard. De eerste posthouder bij de Djoekas, Frick, een Duitser van oorsprong, hield het daar, zoals ik al eens schreef (2), maar een jaar uit, 1762-1763. In één van zijn brieven klaagt hij dat de negers zijn proviand uit Paramaribo slechts tegen een vergoeding, die hij niet kan betalen, willen ophalen en vraagt om meer hulp:
"Ik ken dog niet gelooven, dat het de intentie van UEd. Achtb. Heren is mij soo slechter dings soo te seggen, mij hier te laaten crepeeren, zonder kleederagie, sonder kruyt en loot".
Zijn verhouding met de marrons werd zo slecht dat zij hem een paar dagen gevangen zetten en verboden brieven naar Paramaribo te zenden. Hij vroeg om aflossing. De verhouding tussen posthouders en marrons was zelden optimaal: hij was tenslotte een zetbaas van het bewind en werd dus niet vertrouwd. De op één na laatste posthouder bij diezelfde Djoeka's was Charles Louis Dhondt, een Belg, die dienst nam bij "de Landmacht voor de West Indien". Hij was posthouder van 1838 tot 1857. In al die jaren bracht hij geen sympathie op voor de marrons, hij voelde zich een ambtenaar bij
Willekeurige Boschnegers die men mensen noemt, die onbeschaafste wilde volkeren die aan de gruwelijkste en onbestaanbaarste bijgelovigheden geloven en die aan al wat afgoderij is, den vollen toom geven.
Hij had dan ook heel weinig zeggenschap over de marrons, die hem op plagerlge wijze als quantité négligeable behandelden. Niettemin, zijn beschrijvingen van begrafenisrituelen, behandeling van onderling geweld en van hekserij zijn, ontdaan van zijn epitheta, zeer precies en van grote waarde. Men kan de gang van zaken herkennen in vergelijken met die van nu.
De laatste posthouder, Willem Frederik van Lier, werd in 1917 genoemd.(3) Hij bezat wat zijn voorgangers misten: een grote belangstelling voor en betrokkenheid bij de Djoeka's, bij wie hij te werk werd gesteld. Zijn verslagen over de marron-gemeenschap zijn dan ook van groot wetenschappelijk belang. Hoewel posthouder genoemd, was zijn opdracht een heel andere: niet die van verslaggever van het doen en laten der marrons, van spionage, maar van brenger van westerse beschaving - zij het op een, buiten zijn schuld, bekrompen laag pitje. Als bijzondere facetten van zijn relaties met de marrons zijn aan te wijzen ten eerste, dat hij geen vat had op de interne machtsstrijd onder de Djoeka's, die zijn pogingen ondermijnden en, ten tweede, dat hij hun vertrouwen niet kon winnen omdat zij hem er - terecht - van verdachten dat hij probeerde het christendom "via een achterdeur" ingang te doen vinden. Ten derde was het ontwikkelingsplan uiteindelijk bedoeld om de marrons in te schakelen in het arbeidsproces van de kolonie, iets waarvoor zij zich nooit, door anderen gedwongen, wilden lenen. Het is uit Van Liers eigen rapporten, verslagen, brieven en dagboeken dat dit inzicht in het functioneren van interne machtsstructuren en de verhouding tot de blanke buitenwereld van de marrongemeenschap valt te halen, ook al was dit niet de quintessence van zijn geschriften.
De tweede groep van intermediairs zou ik afgezanten en onderhandelaars willen noemen. Het hieronder besproken archief-materiaal is voor het grootste gedeelte nog niet gepubliceerd.
Deze vorm van contact kwam uit beide kampen voort, zij het frequenter uit dat van de kolonisten dan van de marrons. De afgezanten werden met bepaalde opdrachten gezonden. In de 18e eeuw betroffen die opdrachten: voorbereiding, nabespreking of herziening van de vredesverdragen; oplossen van problemen bij het uitleveren van nieuwe deserteurs; het verdelen van de periodieke geschenkenzending. Vaak waren deze afgezanten personen die zich met inzet van hun moeilijke taak kweten en een helder en niet al te zeer emotioneel gekleurd verslag uitbrachten. Vaak ook geeft hun pure reisverslag een indrukwekkend beeld van de ontberingen tijdens zo'n tocht van een week of twee heen en dan weer terug, door moerassen, oerwoud, heuvels, rivieren bezaaid met rotsen, in vochtige hitte, geplaagd door insecten, zonder adequate medicijnen. Door hun beperkte opdracht en vrij kort verblijf konden dit soort intermediairs zich afstandelijker opstellen, wat de kwaliteit van hun waarnemingen soms ten goede kwam. Uit hun verslagen komt duidelijk naar voren dat de marrons zeker gelijkwaardige, vaak ook betere, onderhandelaars waren. Voorzover hun maatregelen konden worden opgedrongen had dit gewoonlijk met hun materieel zwakke positie te maken. Een voorbeeld van zo'n verslag is het journaal gehouden in 1761 van 18 april tot 2 juni. Het doel was in de eerste plaats de naleving van de vredesartikelen te bevestigen en met name het uitleveren van nieuwe deserteurs te regelen. Het relaas beschrijft behalve genoemde punten de dagelijkse belevenissen van de afgezanten. Eén van hen wenst te trouwen met een Djoekameisje, maar "huwt" uiteindelijk haar moeder, die voor slechts een nacht zijn echtgenote wordt. Een ander wordt ziek en zijn behandeling door een Djoeka medicijnman wordt zeer precies en voor moderne antropologen duidelijk herkenbaar beschreven. De oudste zuster van een opperhoofd is een geëerd priesteres en deze Cato wordt als volgt beschreven:
"Haar autoriteit steunt op openbaringen die sij - na voorafgegaane vreemde en belaggelijke beweegingen van het hoofd en lichaam, onder het speelen off geluid van één van haar lieden musicaale instrumenten - ontvangt, voorgeeigende dat God dan met haar spreekt en haar openbaarde wat sij aan de sieke off andere moesten seggen, en deeze uitspraak, - die in een heel vreemde en beevende stem, met half afgebrokene woorden, somtijds in een andere spraak geschied - wordt als een orakel aangenomen en gelooft en de Ondervinding leert, dat het ook veel tijds so uitvalt, (cursivering SdG) sijnde eenigsints overeenkomstig, sonder comparatie, met hetgeen wij van Elisa leesen die een speelman moeste hebben eer hij aan het propheteeren ging .....(4)
Dit is bij mijn weten de eerste keer dat een bezetenheidsritueel bij de marrons beschreven werd door ooggetuigen. Opvallend in dit verslag is de ontspannen relatie tussen blanken en zwarten: een huwelijk wordt overwogen, een medicijnman geraadpleegd, men doet mee aan dansfeesten en religieuze rituelen. Allemaal zaken die in het plantagegebied strikt verboden waren (zij het dat zij in het geheim wel degelijk plaatsvonden).
Ik heb het tot nu toe over blanke intermediairs gehad, er bestonden echter ook zwarte afgezanten, zowel aan de kant van de blanken als aan die van de marrons. De bekendste aan de blanke kant was een slaaf, Quassi. Een wonderlijke, opportunistische, alom gevreesde en geachte figuur, die voor zijn diensten zijn vrijheid kreeg. Behalve aan zijn capaciteiten als medicijnman, befaamd bij zowel blanke als gekleurde Surinamers, dankte hij zijn gezag aan het leiden van expedities naar marrondorpen en het jagen op deserteurs. Zijn trouweloze houding tegenover de marrons kwam op het afkappen van zijn rechteroor te staan.(5) Er rezen geregeld moeilijkheden over het nakomen van de afspraak nieuwe deserteurs uit te leveren. De meeste intermediairs hadden met dit probleem te maken. Ook Quassi werd in 1762 met zo'n opdracht naar de marrons gezonden, waar hij als afgezant der blanken werd ontvangen. Quassi liet ook niet na dit punt duidelijk te maken. In zijn relaas over deze tocht meldt hij dat hij vergadering hield
'tusschen een groot meenigte boschneegers onderwelke veele met schietgeweer en houwers waren voorzien. 't meeste gedeelte van hun was besig met een Pijp Tobak te rooken; bevorens ik tot iets overging seide ik, naar dat den Hove mij had gesonden, het dus niet voegde te roken en sij sulks moeste agter laten, 't welk ook ilico sonder tegenspraak is geschied'.(6)
(A.R.A. Societeitsarchief Suriname. Resoluties en Notulen van Gouverneur en Raden 1762)
Overigens had Quassi evenveel moeite om deserteurs los te krijgen als blanke intermediairs. Wel vonden de marrons het maar beter dat Quassi voortaan kwam in plaats van blanken, "want die brengen ons in twijffeling".
....Die Blanken kunnen met ons so duidelijk niet spreeken, daardoor sijn wij dikwijls van gedagten geweest dat de Blanke ... ons tragten te mislijden en in 't net te krijgen.
Dit punt is relevant voor een aantal facetten van de relaties tussen de marrons en de kolonisten: het feit dat zij elkaars taal vaak maar moeilijk verstonden, het feit dat mede daarom het wederzijds wantrouwen bleef bestaan, maar ook, dat de marrons dit handig konden gebruiken om hun weerzin om mensen uit te leveren achter onbegrip te verschuilen.
Een zeer bijzondere intermediair was zelf marron, een Saramakaner, die zich geroepen voelde zijn volk tot vrede met blanken te brengen. Hij bevond zich in 1761 bij de Djoeka's en nam contact op met daar aanwezige blanken. Hij vertrok daarop met enige Djoeka's naar zijn gebied en kwam met zo'n veertig landslieden terug, allen bereid een zelfde vredesverdrag als dat van de Djoeka's te sluiten. De intermediair trok mee naar Paramaribo, was aanwezig bij het plechtige vredesluiten van de Saramakaners in 1762 en kreeg van de blanken verscheidene "douceurtjes" voor zijn bemoeienissen. Een maand later vertrok hij naar de Djoeka's om zijn vrouw en kinderen op te halen, maar werd door zijn gastheren doodgeschoten op verdenking van hekserij. Wat was deze intermediair voor man? Zijn naam was Wiel (WieWie, Wii, Willie). Hij wordt geacht in 1712 in Suriname te zijn aangekomen en, tengevolge van de inval van een Franse kaper, Cassard, op dat moment meteen het bos in te zijn getrokken, naar de Saramakaners. Hij trouwde met een dochter van Adoe, het groot-opperhoofd. Zijn zwager Ajako, zoon van Adoe, 80 jaar oud en sukkelend, beschuldigde Wiel ervan hem behekst te hebben en gaf zijn zoon opdracht de waarheid uit te vinden. In 1972, ruim twee eeuwen later, vertelde Groot-Opperhoofd Aboikoni mij de toedracht. "Adjako zei tegen zijn zoon Dabi: als je wilt weten of ik werkelijk behekst ben door Pa WieWie, dan moet je de kogel uit het geweer halen dat wij op de blanken veroverd hebben, en zodra je ziet dat ik mijn laatste adem heb uitgeblazen, dan stop je die kogel in mijn mond. Op de dag van mijn begrafenis, moet je de moed hebben mijn kaken open te maken, de kogel er uit te halen en die in het geweer te stoppen. Dan "loer je Pa WieWie af en schiet hem". Zo gezegd zo gedaan. Pa WieWie werd geraakt (en aan zijn hand gewond) en vluchtte het bos in naar de Djoeka's. Dood was hij niet, maar de verdenking bleef op hem rusten". Op 1 november 1762 werd hij door een Djoeka doodgeschoten, die hem ervan beschuldigde met vergif te hebben gewerkt, wat ongeveer gelijk staat met hekserij. Het nieuws bereikte Paramaribo op 20 november per brief van de posthouder die schreef dat Wiel, na door de broer van het Djoeka opperhoofd Arabi aangeschoten te zijn, de volgende dag dood in het bos werd gevonden. Er werd volgens de posthouder nog over vergaderd of hij zou worden begraven, of - als heks - verbrand. Paramaribo wachtte gespannen af hoe de Saramakaners zouden reageren. Na grote opwinding, - men hoorde daar het nieuws op 15 november - werden vijf Saramakaners naar de Djoeka's gestuurd om Wiels vrouw en kinderen op te halen, die ondertussen door de Djoeka's naar de overkant van de rivier waren gebracht. Hoe dat is afgelopen is mij niet bekend: in mijn gegevens vind ik er niets meer over. Nader onderzoek is geboden, maar enkele veronderstellingen kunnen wel gemaakt worden. Wiel was als hoofd van een clan, getrouwd met de zuster van het hoofd van een andere clan, die het groot-opperhoofd leverde. Volgens de, in principe, matrilineaire opvolgingsprocedures was het kind van de zuster (Wiels zoon) pretendent voor de opvolging. Wilde de broer, maar vooral diens zoon, Dabi, een vinger in de pap houden, dan zou de man van zijn zuster, in casu tante, wellicht een sta in de weg zijn. Dit gegeven kan ten grondslag gelegen hebben aan de poging van Dabi om Wiel uit de weg te ruimen. Bij de Djoeka's kreeg Wiel indirect wéér met een opvolgingskwestie te maken: tijdens zijn verblijf speelde een machtsconflict tussen het groot-Opperhoofd Arabi en ene Pambo die hem tenslotte afzette . Wiel kreeg van deze ambo en aanhangers mensen mee om Saramakaners te halen voor vredes-onderhandelingen. Wiel - en ook Pambo - genoten de voordelen van die affaire. Het was Arabi die Wiel aanviel en diens broer die hem doodde. Het was, en is, vrij gebruikelijk om lastposten in de marrongemeenschap van hekserij of vergiftiging te beschuldigen en daarmee, gesanctioneerd, te isoleren of erger. Wat ook nog nader onderzoek vereist, is het vervolg van het verhaal: tot mijn verbazing verzekerde Granman Aboikoni mij dat Wiel niet was vermoord en in een artikel uit 1922 van bosopzichter Junker vond ik vermeld dat Wiel opperhoofd van zijn clan werd aan de Suriname-rivier en op hoge leeftijd stierf. Die informatie kwam van één van Wiels clangenoten en nazaten. Beleefde Wiel een mythologische resurrectie of was hij niet dood?(7)
Ik zei U al: er valt nog veel te onderzoeken en ik ben dat ook van plan te gaan doen. Eén zo'n onderzoek betreft het nog ongepubliceerde materiaal betreffende de geschiedenis van de "Zwarte Jagers" (8), een corps van door de regering aangekochte slaven dat ingezet werd om tegen marrons te vechten. De Jagers, onder leiding van blanke officieren, werden geacht een betere status te hebben dan de slaven. Zij waren goede vechters in het oerwoud, maar liepen hoge risico's als zij in handen vielen van de marrons. Dit plaatste ook hen tussen twee werelden, vijandige kampen, een situatie waaruit geen ontsnapping mogelijk leek. Echter, na een opstand van een 40-tal in 1805, waarbij zij een aantal blanken doodden en militaire posten overvielen, voegden zij zich toch bij hun vroegere vijanden de marrons, die vervolgens weigerden hen aan de kolonisten uit te leveren. Vier van hen werden bij een tocht naar een plantage gevangen genomen en verhoord. Analyses van die verhoren werpen nieuw licht op de aard en het verloop van de rebellie. In 1809 werd een nieuw verdrag gesloten met de marrons, waarbij de rebellen onder hun curatele werden gesteld. Dit verdrag is in zijn officiële vorm niet bekend. Bij toeval vond ik er een afschrift van in een pak documenten die over een heel andere zaak gingen.
Dan is er het manuscript van de Surinaamse Gouverneur Jan Nepveu uit 1770. Hij schreef met grote kennis van taken over de situatie in zijn tijd - en annoteerde een verslag van J. Herlein dat in boekvorm verscheen in 1718. Nepveu schreef en herschreef zijn manuscript tot hij een exemplaar had dat hij ter uitgave naar Nederland stuurde. Deze eindversie raakte weg en van de uitgave kwam niets. Bij een onderzoek in het Amsterdams Gemeentearchief vond ik het verdwenen manuscript dat Nepveu voor uitgave had bedoeld (9). Dank zij de medewerking van de bronnencommissie van het Historisch genootschap en de uitgever Emmering kan ik nu het manuscript annoteren en van commentaar voorzien en zal de uitgave, meer dan twee eeuwen na dato, tezamen met een herdruk van Herlein's boek te zijnertijd verschijnen. Gouvemeurs waren trouwens, dat toont de Surinaamse geschiedenis geregeld, intermediairs bij uitstek: tussen het Nederlands bewind en de Surinaamse planterswereld.
Een ander onderwerp waar ik mij mee bezjg zal houden betreft manuscripten van nooit gedrukte, noch beschreven kaarten, waarop een schat van gegevens te vinden is over militaire tochten, gemaakt naar de marrons. Daarop komen onder meer nu niet meer bekende dorpen voor die de Djoeka's en de Boni's vóór 1790 bewoonden.
De geschiedenis van dit verre Westen blijft me fascineren, maar toch, via omwegen en tussenstations, keer ik terug op mijn jeugdbasis: het verre Oosten. Want: terwijl in 1840 vijftig Afrikanen, rechtstreeks uit Ghana aangevoerd, toegevoegd werden aan de reeds genoemde Zwarte Jagers, recruteerde Nederland tussen 1831 en 1872 drieduizend Afrikanen in datzelfde Ghana als soldaat voor Nederlands-Indië, waar zij moesten strijden tegen de Indonesiërs die verzet boden tegen de voortschrijdende kolonisatie - koloniale heersers zijn er altijd goed in geweest anderen daarvoor in te zetten. Hoe verliep de recrutering in Afrika, hoe verging het de recruten in Amerika, hoe ondergingen de Afrikanen hun diensttijd in Azië, hoe verliepen hun militaire en burgerlijke contacten met de Indonesiërs? Gegevens voor antwoorden op deze en vele andere vragen vond ik in de "Archieven ter kuste van Guinee", gelegen in ons Rijksarchief, maar ook in de archieven van Engeland, Suriname en Indonesië.
Graag wil ik van deze gelegenheid gebruik maken om de medewerkers van het Algemeen Rijksarchief te bedanken voor hun voor mij bijzonder belangrijke assistentie bij het zoeken naar materiaal.
Dames en heren, ik weet heel goed dat ik, op mijn gevorderde leeftijd, U een ambitieus toekomstplan heb geschetst. Alles wat ik er van kan realiseren is meegenomen.
Medewerkers aan dit colloquium. Tussen U en mij bestaan niet alleen vak- maar ook vriendschapsrelaties. Rudie van Lier, the grand old man van de Surinaamse sociologie in het bijzonder en de niet-westerse sociologie in het algemeen, heeft mij de eerste stappen doen zetten op mijn weg naar Suriname. Zoals hij indertijd al waarschuwend voorspelde ben ik niet meer van die weg afgeraakt. Het doet mij bijzonder deugd dat hij nu ook, dan wel niet de laatste maar toch één laatste étappe, een rite de passage, begeleid heeft. Harry Hoetink en ik hebben ons vrijwel gelijktijdig in het Caraibisch mozaïek gestort. In ieder geval ontmoetten wij elkaar voor het eerst toen wij ons in verband met een WOTRO-subsidie bij Johanna Felhoen Kraal moesten presenteren. Onze belangstelling raakte elkaar op vele punten en onze wegen kruisten elkaar gelukkig geregeld. Zijn inzicht in, en kennis van, de ingewikkelde relaties in het Caraibisch gebied bewonder ik in hoge mate. Pieter Emmer plaatst met zijn onderzoek naar de gedwongen immigranten - slaven en contractarbeiders - de kennis van de Surinaamse geschiedenis in -een wijder kader. Aan het aandeel van Afrika en Azië en de rol die Europeanen daarbij gespeeld hebben wordt hierdoor extra en noodzakelijke aandacht besteed. Humphrey Lamur houdt zich bezig met een lang verwaarloosd aspect van de Surinaamse geschiedenis: de demografie. Ondanks de schaarste aan betrouwbare gegevens heeft hij met, de moderne technieken een veel duidelijker inzicht gegeven in de opbouw van de bevolking. Het is te hopen dat financiële steun een belangrijk onderzoek naar een volkstelling die in 1811 is gehouden en die een enorme bron van gegevens bergt, mogelijk zal maken.
Waarde collegae. Tien jaar geleden, toen de toekomst van de geschiedenis er nog heel wat florissanter uitzag, heeft U besloten om de wereld buiten Europa een kans te geven. U heeft mij ervoor aangetrokken om de studenten daarop attent te maken. Uit het bovengezegde is wel gebleken hoezeer ik mij daarin verheugd heb. Ik heb bijzonder veel aan U te danken. De roemruchte wekelijkse vergaderingen van de vakgroep Nieuwe en Theoretische Geschiedenis zullen mij niet licht uit het geheugen gaan. Steeds dichtere en onoverzichtelijkere organisatorische en financiële wolken pakten zich boven onze hoofden samen, maar de toewijding, gepaard gaande met goddank veel humor en ironische distantie, de openheid waarmee problemen werden aangepakt, in een gezelschap van toch altijd zo'n twintig mensen, mag vele dergelijke verzamelingen tot voorbeeld zijn. U heeft mij, toen de toeloop van studenten groter werd, de bestuurlijke taken bespaard. Mijn verzoeken om hulp van student-assistenten en om financiële hulp voor onderzoek en congresbezoeken heeft U steeds gesteund. Uw collegialiteit en vriendschap hebben voor mij een blijvende en grote betekenis. Voor de afsluiting van mijn universitaire loopbaan aan deze Universiteit met dit colloquium ben ik U bijzonder dankbaar.
In dit dank woord wil ik met nadruk de leden van het "technisch-administartief personeel" betrekken. Ondanks hun drukke taak hebben zij mij nooit in de steek gelaten. Als ik beroep op hen deed, zelfs met haastwerk, vonden zij steeds tijd voor me.
Dames en heren studenten, de wereld en de geschiedenis daarvan, waarvoor ik U heb trachten te interesseren, ligt buiten Europa en vormt alszodanig een "Fremdkörper" binnen het hoofdvak Nieuwe en Theoretische Geschiedenis. Niettemin heb ik mij kunnen verheugen in Uw groeiende belangstelling. Het onderzoek dat wij entameerden richtte zich vooral op de verwerving van kennis en inzicht in relaties en conflciten van de bevolking van Latijns-Amerika, de Caraïben en Afrika, zowel intern ald in relatie tot de koloniserende Volekren. De vele werkgroepen over deze onderwerpen hebben ook voor mij positieve resultaten opgeleverd. Een aantal van U heeft mij ook rechtstreeks, als tijdelijk student-assistent, gegevens helpen verzamelen. Uw aller medewerking heeft mij zeer gestimuleerd. Ik betreur het bijzonder dat deze splinterafdeling niet zal worden voortgezet. Aan belangstelling en aan competente docenten ontbreekt het zeker niet.
Silvia de Groot, Amsterdam 1983.
Noten
(1) Silvia W. de Groot, Surinaamse Marrons in kaart gebracht. 1730-1734. In: Een Andere in een Ander, Liber Amicorum voor R.A.J. van Lier. Redactie: B.F. Galjaart, J.D. Speckmann, J. Voorhoeve, I.C.A. Publicatie no. 52 Rijksuniversiteit Leiden.
(2) Silvia W. de Groot, 1977, From Isolation towards Integration. M. Nijhoff, 's-Gravenhage
(3) Silvia W. de Groot, 1969, Djuka Society and Social Change. Van Gorcum, Assen.
(4) A.R.A. Societeitsarchief Suriname. Resoluties en Notulen van Gouverneur en Raden 1761.
(5) Richard Price en Chris de Beet, 1982, De Saramakaanse vrede van 1762: geselecteerde documenten. Utrecht, Bronnen voor de studie van Bosnegersamenlevingen no. 8.
(6) A.R.A. Societeitsarchief Suriname. Resoluties en Notulen van Gouverneur en Raden 1762.
(7) L. Junker, "Eenige mededeelingen over de Saramaccaner-Boschnegers" p. 462 e.v.: De West-Indische Gids 1922.
(8) Silvia W. de Groot, Rebellie der Zwarte Jagers. De nasleep van de Bonni-oorlogen 1788-1809. De Gids, no. 9, 1970.
(9) In het A.R.A. liggen twee M.S.S.: een klad- en een onvolledig exemplaar. In het Gemeente Archief Amsterdam liggen een onvolledig en het volledige exemplaar.
REBELLIE DER ZWARTE JAGERS
De nasleep van de Bonni-oorlogen; 1788-1809
De drang naar vrijheid en zelfstandigheid, het verwezenlijken van persoonlijkheid en eigen identiteit speelt in Suriname niet sedert de twintigste eeuw, en met name sedert de tweede helft van deze eeuw, maar reeds eeuwen lang. Die drang was actief bij de eerste slaven die in het land werden ingevoerd. Verzet, rebellie en guerrilla-oorlogen als uitingen van dit streven zijn in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw niet van de lucht geweest. Het lag aan de aard van de kolonie: een plantage-economie, berustend op slavenarbeid. De onrust, veroorzaakt door in mindere of meerdere hevigheid steeds weer oplaaiende oorlog tussen groepen weggelopen slaven en de kolonisten, heeft er in belangrijke mate toe bijgedragen dat de baten van het wingewest Suriname in de loop van de achttiende eeuw tot tekorten werden. Het land werd ten slotte armlastig en moest door het moederland, dat zich steeds trachtte te verrijken, bovendien gesubsidieerd worden. Het heeft zich tot vandaag niet hersteld en economisch onafhankelijk weten te maken.
De bewogen geschiedenis van het land is uitvoerig en veelvuldig beschreven ook in de achttiende en negentiende eeuw. Sommigen deden dit in de vorm van reisverhalen en notities van eigen bemalingen, anderen maakten gebruik van archieven en documenten.
Wanneer men zich in de Surinaamse geschiedenis verdiept, blijken er - zoals dat bij elke geschiedschrijving voorkomt - 'witte plekken' te zijn, hetzij omdat het de historicus in het kader van zijn werk niet mogelijk was de interpretatie van zekere gebeurtenissen te geven, het zij omdat hij van de feiten niet voldoende op de hoogte was.
Drie van deze niet-begrepen en onvoldoend bekende gebeurtenissen wil ik hier naar voren halen en we1 omdat ze, in verband gebracht met nieuwe archiefvondsten, het historische beeld van Suriname kunnen completeren en verduidelijken.
De bedoelde feiten werden tor nu toe slechts als 'faits divers' aangevoerd.
Het eerste en het tweede staan het meest uitgebreid in het voortreffelijke geschiedenisboek van J. Wolbers. Het eerste (op bladzijde 431- 432) luidt dat er in augustus 1788 het bericht kwam dat het wegloper-opperhoofd Bonni met zijn volgelingen de Marowijne was overgetrokken en de plantages bedreigde. 'Zou het een onwaar en valsch gerucht zijn geweest? Neen, weldra werd het bevestigd: daar klinkt eensklaps de droevige mare door de kolonie: de mannen van Bonni hebben de plantage Clarenbeek aangevallen…'. Het tweede feit, dat zich in 1805 voordeed, staat op bladzijde 548 en luidt: 'Men stelle zich de ontsteltenis voor dat het bericht teweeg bragt: "Een detachement der Negerjagers op de posten Oranjebo en Imotappie, bij de Boven-Commewijne, heeft gerevolteerd en twee officieren, een sergeant, twee commissarissen en de Directeur eener plantaadje (allen blanken) vermoord; men heeft de muitelingen dadelijk door eenige soldaten en getrouw gebleven negersjagers doen vervolgen, doch zij zijn naar Armina bij de Marowijne gevlucht, en om hen aldaar, dat drie dagreizen verder in een onbewoond oord ligt, te vervolgen is bijna onmogelijk." . . . De eigenlijke beweegredenen tot dezen opstand liggen in het duister.'
Het derde bericht, dat verband houdt met de opstand der 'Zwarte Jagers', maar dat evenmin als het bovengenoemde een verklaring bevat van de genoemde feiten, vond ik in de reisverslagen van A. von Sack op bladzijde 126: 'De Aucananegers (2) hadden aan de Regering van Surinamen, bij gelegenheid dat de vrede (in 1809) hernieuwd was, aan de Sara-Creek, en bij verdere bevestiging van dezelven in November 1811, beloofd, dat deze opstandelingen zich vreedzaam zouden gedragen, en dat zij, in gevallen dezelve vijandelijkheden tegen de Blanken mogten beginnen, hen als vijanden zouden beschouwen en behandelen, en hen levendig of dood, in de handen der Regering overleveren. Dezelfde verpligting namen zij op zich ten aanzien van de Bonnie-negers'. (3)
In geen van de mij bekende historische geschriften worden de oorzaken van de aanval der Bonnis en van de rebellie der Zwarte Jagersnader uitgelegd, noch de precieze voorwaarden van het hernieuwde vredesverdrag met de'Aucana'-negers (dat wil zeggen de Djoekas) beschreven. Wanneer men echter deze gegevens nader beziet aan de hand van bronnen, verzameld in Engelse, Nederlandse, Franse en Surinaamse archieven (4), blijkt de gang van zaken duidelijk te worden: de ontbrekende stukken van de puzzel kunnen worden ingepast.
Hiertoe geef ik eerst de achtergronden (1650-1788) en onderscheid ik vervolgens in het te behandelen tijdvak (1788-1809) drie hoofdmomenten, om oorzaken en gevolgen aan te kunnen geven:
Voorspel: 1650-1788;
I. Hernieuwde aanval van de Bonnis: 1788-1793;
II. De opstand der Zwarte Jagers: 1805;
III. Hernieuwd verdrag met de Djoekas: 1809.
Omstandigheden die invloed op de gang van zaken uitoefenden waren: de situatie in de naburige kolonie Frans-Guyana en de verhouding met Suriname; de Napoleontische oorlogen met als gevolg voor wat Suriname betrof een Engels bestuur (1799-1802 en 1804-1816); de zeer slechte communicatie en de verwarde situatie in het Guyanese gebied in het algemeen.
Voorspel: 1650-1788
a. Sedert 1650: Guerrilla-oorlog tussen weggelopen slaven en kolonisten H et weglopen van de sedert de zeventiende eeuw uit West-Afrika ingevoerde slaven voor de plantages in Suriname is van de tweede helft van de zeventiende eeuw tot aan de afschaffing der slavernij in 1863 voor de kolonisten een probleem geweest dat hen veel hoofdbrekens, kapitaal en slachtoffers heeft gekost. De middelen om het weglopen te voorkomen, de slaven uit de bossen terug te halen en de pogingen om de desastreuze aanvallen van groepen weglopers op de plantages en hun bewoners te voorkomen, bleken gewoonlijk weinig succes te hebben. De vrede die met drie groepen: de Djoekas, de Saramaccaners en de Matuaries in respectievelijk 1760, 1761 en 1767 gesloten werd, verhinderde niet dat een nieuw gevormde groep, de Bonnis, de kolonie met hun aanvallen in rep en roer hield, van 1769 tot 1793.
b. Beschermende militaire maatregelen tegen de Bonnis: 1770-1777 De in 1770 benoemde Gouverneur Jan Nepveu nam tegen hun hevige aanvallen energieke maatregelen: hij liet een militair kordon om het bebouwde deel der kolonie aanleggen, ondanks de tegenwerking der kolonisten die de bijdrage aan de kosten voor de aanleg van de hun beschermende ring te hoog vonden. Dit kordon bestond uit een verbindingsweg met op geregelde afstanden militaire posten. Het kwam in 1778 klaar. De totale bezetting, verdeeld over 'hoofdposten' en 'piketten', moest bestaan uit 5 kapiteins, 19 luitenants, 44 sergeants,69 korporaals, 24 oppassers, 5 bakkers en 955 man, gerecruteerd uit de in het land aanwezige militie, een bezetting die gewoonlijk niet bereikt werd. Het onderhoud van deze militairen werd deels door de ingezetenen van de kolonie deels door het moederland bekostigd. De twee a drie bataljons, ieder bestaand uit een kleine vierhonderd man werden bij de verspreiding over het 'Cordon' versnipperd. Toen de aanvallen der Bonnis in 1772 steeds driester werden nam de Gouverneur nieuwe maatregelen: hij vroeg het moederland om versterking der krijgsmachten die hem in 1773 onder leiding van de Zwitserse kolonel Fourgeoud gestuurd werden: eerst achthonderd man en in 1775-76 nog eens een versterking van achthonderd dertig man. Deze versterkingen waren hard nodig door de grote verliezen die werden geleden, daar de troepen fysiek en psychisch niet opgewassen waren tegen de tropische omstandigheden en de guerrillatactiek van de bosnegers. Met de aangekomen versterkingen vie1 Fourgeoud nogmaals de versterkte vestingen van de Bonnis aan en slaagde erin hen over de Marowijne-rivier te jagen. Fourgeoud en de meeste resterende manschappen vertrokken in 1777 weer naar Europa, in de mening dat de kolonie nu van de aanvallen der bosnegers verlost was. Deze mening bleek a1 spoedig ongerechtvaardigd optimistisch te zijn.
c. Oprichting van het 'Korps Zwarte lagers':1772
Een zeer belangrijk aandeel in het welslagen van deze strijd tegen de Bonnis werd geleverd door het 'Korps Zwarte Jagers' in 1772, eveneens door Gouverneur Nepveu opgericht.5 Het is niet onwaarschijnlijk dat zonder de hulp van deze groep zwarte krijgslieden ook Fourgeoud met zijn troepen de Bonnis niet had kunnen terugdrijven. Behalve dat zij beter bestand waren tegen de ontberingen van de rimboe-oorlog, wisten zij dat zij weinig goeds te verwachten hadden van hun land- en vroegere plantagegenoten tegen wie zij de strijd hadden aangebonden, als zij in hun handen vielen. Deze wetenschap verhoogde ongetwijfeld hun strijdbaarheid.
Het Korps bestond uit door de koloniale regering gekochte slaven (deels van de slavenmarkt, deels van plantage-eigenaren). De prijzen die voor hen betaald werden varieerden van f 800,- tot f 3400,-. Nepveu bracht de macht op driehonderd man, waarvoor een lening van f 700 000,- in Holland werd gesloten. Zij hadden een semi-militaire status: ze werden alleen betaald als ze dienst deden, buiten dienst voorzagen zij zelf in hun onderhoud en kregen daar voor een 'grondje' toegewezen buiten Paramaribo. De officieren werden gerecruteerd uit de militaire korpsen van de kolonie. Het Korps had een goede naam en het werd als een eer beschouwd hun te leiden. Befaamde namen komen dan ook onder hun 'Conducteurs' voor: de latere gouverneur Friderici, majoor Stoelman, Vinsack, Mangold volvoerden heldhaftige patrouilletochten, soms met succes bekroond. Stedman, die in het expeditieleger van Fourgeoud meevocht om de Bonnis te verslaan, prijst de Zwarte Jagers in zijn beroemde werk en achtte één zwarte soldaat van evenveel waarde als zes blanke. Ze waren onder meer uitgemonsterd met geweren en droegen eerst een groene, later een rode muts, wat hun in de volksmond de naam 'Redi (of Ledi) Moesoe' bezorgde, die tot nu toe voor hun nakomelingen is blijven bestaan.
Ook na het verdrijven der Bonnis over de Marowijne bleven de Zwarte Jagers actief. Ze patrouilleerden langs het Cordon en deden uitvallen bij verspreidde aanvallen van weglopergroepen, zoals in 1785 toen een groep onder een leider 'Koffie Makka' een plantage even buiten het Cordon aanviel. De kolonie schrok, na een paar jaar betrekkelijke rust, weer danig op, te meer daar men eerst meende dat het een hernieuwde aanval van de Bonnis was. Koffie Makka slaagde erin een aantal plantages in brand te steken en een directeur te doden, maar de slaven weigerden hem te volgen. Ook andere plantages werden aangevallen en het Korps bewees weer goede diensten bij het verjagen van de aanvallers. De chef van het Korps, Friderici, vulde hun aantal met vers uit Afrika aangevoerde slaven aan en nam ook enkele betrouwbaar geachte Djoekas in het Korps op.
In 1786 richtte Friderici naast het Korps Zwarte Jagers een Korps Blanke Jagers op. Aan de Marowijne werden de versterkte posten Armina en Vredenburg aangelegd en versterkt met Jagers. Tegelijkertijd werd een verbindingspad aangelegd tussen Armina en Oranjebo, een aan de oostpunt van het Cordon aan de Boven- Commewijne gelegen post. Armina was aldus vrij goed te bereiken en te voorzien van voorraden.
A1 deze voorzieningen werden getroffen omdat men steeds vreesde dat de weglopers nog we1 eens een nieuwe uitval zouden wagen.
I. Hernieuwde aanval van de Bonnis: 1788-1793
In 1777 waren de Bonnis ten slotte uit de kolonie Suriname verdreven en hadden zich aan de Franse kant aan de Marowijne-rivier in dorpen gegroepeerd. Echter: aan diezelfde rivier leefden ook de Djoekas, die allerminst gesteld waren op een groep nieuwe bewoners, waar de kolonie nog steeds op voet van oorlog mee stond. De Djoekas beschouwden de Marowijne rivier als hun domein. Na de vrede van 1760 hadden ze zich vanuit de Djoeka-kreek aan dorpen hoger op aan de rivier gevestigd en de conglomeratie van de Bonnis lag lager aan de rivier. Zij konden de Djoekas de vrije doorgang naar het kustgebied bemoeilijken. Die vrije doorgang was van belang: contact met het kustgebied was een noodzaak voor handel (zij het op minieme schaal) ter aanvulling van noodzakelijk gerief, en vooral van voedsel in vrij geregeld voorkomende perioden van tekorten. Zij voerden in oktober 1779 een aanval uit op de Bonnis. Ze maakten tweeëntwintig gevangenen en doodden zeven man. Tot grote schrik van de kolonie sloten zij echter aan het eind van dat jaar een verbond met de Bonnis. De Djoekas zonden geruststellende berichten naar Paramaribo: zij zouden de Bonnis nimmer helpen indien deze de blanken weer zouden aanvallen, en Bonni zelf, het Groot-opperhoofd, had verklaard geen acties te ondernemen als hij niet gemolesteerd zou worden.
De rust bij de Bonnis bleef inderdaad bewaard tot 1758. In dat jaar vielen de Bonnis geheel onverwacht de kolonie weer binnen en overvielen de plantage Clarenbeek aan de Boven- Commewijne, buiten het Cordon gelegen, evenwe1 voorzien van een militaire post met een sergeant en vier soldaten. Allen, op de directeur na die als 'slaaf' werd weggevoerd, werden gedood. Op 26 September vielen ze vier plantages tegelijk aan de Boven-Suriname aan, doodden drie blanken en namen een groot aantal slaven mee. Toen luitenant-kolonel Friderici met zijn Zwarte Jagers ter plaatse van de ramp verscheen, waren de aanvallers reeds te ver weg om tot achtervolging over te gaan. In 1789 vielen zij de militaire post Armina aan. De conducteur Stoelman sloeg de aanval af en de Bonnis trokken zich terug.
In 1790 werd echter met behulp van de aanwijzingen van een overloper van de Bonnis: Ascaan, vanuit de militaire posten aan de Marrowijne, onder leiding van Luitenant Stoelman met een groot contingent Zwarte Jagers het dorp van het Opperhoofd Bonni: Aloekoe overvallen. Bonni ontkwam, maar een aantal belangrijke hoofden werd gedood of gevangen gemaakt. Ook bij de Jagers vielen doden en gewonden. De gevangen directeur van de plantage Clarenbeek werd levend aangetroffen en bevrijd.
Bonni's kracht bleek nu gebroken en hij stuurde zijn oudste zoon en twee kapiteins naar Paramaribo om vrede te sluiten. Friderici, inmiddels waarnemend Gouverneur, voerde de onderhandelingen. Men weifelde over de te nemen beslissing en traineerde de onderhandelingen: men zag er tegen op een nieuwe groep gepacificeerde, weinig betrouwbare bosnegers in het land te hebben, terwijl men van de loyaliteit van andere groepen allerminst zeker was. Ook het feit dat de Bonnis zich op Frans territoir bevonden maakte een beslissing moeilijk. Men vroeg zich af, zoals men dat altijd a1 deed, of de Bonnis zich niet met de Djoekas en eventueel de Saramaccaners zouden verenigen en een grote aanval op de kolonie ondernemen. Hoewel de Bonnis verklaarden dat de Djoekas hen (na de uitval van 1789) niet meer steunden en zich tegen hen hadden gekeerd, en dat zij hen gaarne wilden bestrijden als zij daartoe wapens en ammunitie kregen, wezen berichten van de posthouder - een van bestuurswege bij de Djoekas geplaatste ambtenaar - allerminst in die richting.6 Friderici bepaalde er zich dus toe te eisen dat de Bonnis eerst alle weglopers en gevangenen zouden terugzenden. Het Opperhoofd Bonni zond slechts enkele gevangenen terug en vroeg om meer wapens. Hij verklaarde onder druk van zijn onderhoofden (kapiteins) niet meer te kunnen doen. De vijandelijkheden begonnen opnieuw in juli 1791, waarbij de Bonnis opnieuw verliezen leden.
De Bonnis (maar ook de Djoekas) trokken onder druk van de aanvallen steeds verder de rivier op, en omstreeks deze tijd, 1790-'91, waren zij in dorpen aan de Lawa, bovenloop van de Marowijne, gevestigd en de Djoekas aan de Tapanahoni, de grootste westelijke zijarm van de Marowijne. Intussen liet Friderici de Djoekas weten dat de hulp die zij aan de Bonnis hadden gegeven hen zeer kwalijk werd genomen en beschouwd werd als het verbreken van het vredesverdrag, en dreigde hen met een gewapende aanval. De Djoekas zonden in oktober 1791 een delegatie om vergiffenis te vragen, en gingen in op de eisen alle Bonnis die bij hen waren uit te leveren en hulp te verlenen in de strijd tegen hen, terwijl hun beloofd werd, dat als de Bonnis hen zouden aanvallen - Friderici zal zeker niet nagelaten hebben hen te vertellen dat de Bonnis dat van plan waren - zij bescherming van het Gouvernement zouden krijgen.
De pogingen beide groepen tegen elkaar op te zetten hadden succes: de verontwaardigde Bonnis deden een aanval op de Djoekas en verwoestten hun hoofdplaats Anderblauw (1793). Met een kleine macht Jagers en Djoekas overvie1 men opnieuw de Bonnis. De negentiende februari 1793 werd Bonni zelf door een groep van zeventig Djoekas onder leiding van het pas benoemde opperhoofd Bambi bij verrassing overvallen en door Bambi gedood, de zevenentwintigste onderging Coermantijn Codjo (een ander opperhoofd) het zelfde lot; Agossou, een zoon van Bonni ontkwam, 'et comme les Francais avaient déja déclaré la guerre à la Republique, l'on n'était plus obligé à respecter les forêts désertes de Cayenne, ce qui fit qu'on les chassa presque jusqu'aux frontiéres de la Guiane Portugaise." (7) - overigens zonder resultaat.
De gevoerde strijd tegen een gemeenschappelijke vijand, die voor blanken en Djoekas beide gevaar opleverde, had tot gevolg dat het wantrouwen tussen die twee groepen enigszins verminderde. De gemaakte en uitgeleverde gevangenen werden deels (voor begane wandaden) gedood, deels (als zij door de Bonnis ontvoerd waren) aan hun vroegere meester teruggegeven. Een aantal Bonnis werd naar St. Eustatius verbannen (als slaaf). Enkele Bonnis die beloofden de blanken van dienst te zullen zijn, werden toegevoegd aan het Korps Zwarte Jagers.
Het duurde tot 1812 voor Bambi voor zijn overwinning op de Bonnis zijn hem door Friderici in 1793 beloofde geschenk kreeg: een zilveren ringkraag met een schild, waarop de koppen van Bonni en Coermantijn Codjo in relief waren aangebracht en waarop gegraveerd stond: 'In remembrance of the faithful service of the chieftain of the Aucaanders named Bambey in the years 1790 and 1791 by his delivery of the heads of two celebrated chieftains of the Bushnegroes Bonni and Cormantijn Codjo, given by his Excellency the Governor-General Bonham and Government of Surinam.(8) Een enigzins eigenaardige inscriptie als men bedenkt dat de geschiedenis uitwijst dat de Djoekas, nadat zij in 1780 vrede gesloten hadden met de Bonnis, pas in 1791 met hen braken en de geslaagde aanval op de opperhoofden in 1793 plaatsvond. Bovendien werden de hoofden van Bonni en Coermantijn Codjo nooit ingeleverd: die vergingen met de oorlogsbuit, opgeladen in korjalen, op de klippen in de rivier, zoals blijkt uit het journaal (9) gemaakt tijdens de tocht, dat loopt van 22 tot 28 januari 1793. Op 23 januari schrijft de opsteller: 'is Bambie met zijn Corjaar in seekere vall gesonken en soowel het corjaar, als alle zijn goederen van hem, als zijn Buyt verlooren, en had niet veel gemankeerd of hij was zelfs verdronken. Hetgeen hij verlooren heeft is. . . . een Koer Koerre (mand) waar ongelukkig in was het hooft van Bonnie en 9 handen. . .'
De majoor Zegelaar die op een post in de Lawa de terugkerende Djoekas ontving meldt in zijn rapport van 12 maart 179310 dat e r 21 Bonnis gedood zijn, 38 gevangen gemaakt en 12 handen ingeleverd (hoofd of hand gold als bewijs voor het doden van een vijand waarvoor honderdvijftig gulden per stuk werd betaald). Hij verzoekt voor het doden van de opperhoofden wat meer te betalen. Wie hen gedood heeft meldt hij niet, en over de hoofden van Bonni en Coermantijn Codjo wordt niet gerept.
De onzekerheid over te nemen besluiten, het wantrouwen over en weer, de ogenschijnlijk ongemotiveerde uitvallen der Bonnis en de houding der Djoekas worden duidelijker als men de situatie in Frans Guyana beziet en hun reactie op de gebeurtenissen aan en over de Marowijne grensrivier.
De Franse kolonie Guyana is van het begin van haar bestaan, dat wil zeggen van het begin van de zeventiende eeuw af, noodlijdend geweest. Men trachtte het gebied rendabe1 te maken door er steeds nieuwe golven kolonisten en 'engagés' (Europese contractarbeiders) naar toe te sturen die, onvoorbereid op een hard bestaan in de tropen, in grote menigten stierven. Eén van de bekendste catastrofen van dien aard was de kolonisatie in Kourou die in 1764 begon met tussen de negenduizend en veertienduizend emigranten, waarvan er een jaar later niet meer dan duizend over waren. Intussen was men begonnen gevangen Indianen als slaven te gebruiken, wat evenals overal elders een mislukking werd. De invoer van zwarte slaven uit West-Afrika kwam pas in de achttiende eeuw langzaam op gang. Het verkrijgen van slaven kostte grote moeite: de slavenboten deden Cayenne niet graag aan: het lag ongunstig wat haven-entree en zeestroom betrof, en de handelaren kregen te weinig geld naar hun zin. Het was een vicieuze cirkel: de plantagehouders waren arm, konden de gevraagde slavenprijs niet betalen, kregen onvoldoende slaven om het land te bewerken en ...... bleven arm. De verhouding tussen blanken en zwarten was in de achttiende eeuw ongeveer één op zes, de meeste kolonisten hadden minder dan zes slaven, slechts enkelen bezaten er tientallen. Men zag met lede ogen aan dat Suriname als plantage- en slavenkolonie in elk opzicht fortuinlijker was. Ook het inpolderen der moerassige kuststreken, waar de Hollanders rijke bouwgronden door creëerden, vereiste een techniek die de Franse kolonisten niet beheersten.
De Franse revolutie bracht voor de slaven in Guyana nauwelijks verandering; na een korte periode waarin enkele slaven werden vrijgelaten, werd de slavernij in 1802 weer de rigueur tot 1848. Ook Frans-Guyana kende het probleem van 'maronnage', zij het op veel kleinere schaal dan in Suriname. De oorlog tussen het koloniale leger in Suriname en de Bonnis en het verdrijven van deze weglopers in 1777 tot over de Marowijne en dus op Frans grondgebied, wekten gemengde gevoelens op. Enerzijds vreesde men dat de opstandige, verslagen Bonnis de Franse kolonie last zouden bezorgen en dat zij bij een hernieuwd treffen met Surinaamse troepen door deze op Frans grondgebied vervolgd zouden kunnen worden, met alle politieke perikelen van dien. Anderzijds wekte de komst van een groot aantal potentiële werkkrachten de hoop op, dat men daarmee in eigen tekort zou kunnen voorzien. Deze ambivalente gevoelens beïnvloedden het politieke contact tussen Frans- en Nederlands-Guyana vele jaren. Een lijvig rapport van de baron Bessner (11), oudcommandant van Cayenne (1773) geschreven in 1775 (dus nog v66r de vlucht der Bonnis over de Marowijne) bevatte een uitgewerkt plan om de Surinaamse Bosnegers over te halen naar Cayenne te verhuizen en ten bate van de Franse kolonie in te zetten. Het was een goed bedoeld, 'verlicht', maar utopisch en onuitvoerbaar plan, dat van veel verkeerde gegevens uitging. Goed bedoeld: hij wilde hen de kans geven om in een toegewezen gebied, in dorpen verzameld, een bestaan op te bouwen en een soort 'provincie' van de kolonie te worden. 'Verlicht': hij was van oordeel dat het een fout was te geloven dat 'l'espèce nègre est une espèce maudite dont on ne doit espérer aucun bien. Ceux qui pensent ainsi confondent les dispositions avec les effets de l'esclavage.' Utopisch: hij meende dat de Djoekas en de Saramaccaners bereid zouden zijn hun moeizaam verworven bestaansvorm voor deze lokroep op te geven en te migreren naar een onbekend onontgonnen gebied aan de kust, en een geheel andere en nieuwe levenswijze beginnen. Bovendien meende hij dat het om een bevolking van veertigduizend man ging, terwijl het er toen niet meer dan zesduizend waren. De intelligente econoom P. V. Malouet (12), die in 1777 door het Franse gouvernement op onderzoek werd uitgestuurd naar Suriname, schatte hun aantal op slechts drieduizend. Ook het aantal Bonnis dat de Marowijne overstak werd zeer overschat: men dacht dat het er acht à tienduizend waren, in werkelijkheid waren het er niet meer dan twee à driehonderd!
Niettemin, de essentie van Bessners plan dook telkens opnieuw op, om door tegenstanders even vaak bestreden te worden. Deze zagen met meer zin voor de realiteit niets in het gebruiken van Surinaamse weglopers om Cayenne's economie te helpen saneren.
Wat de Bonnis betreft: men wist dus niet goed wat men met hun aan moest. Terugjagen was geen oplossing, Suriname wilde hen niet hebben; accepteren als inwoners van de kolonie bracht weinig voordeel en misschien, gezien hun recalcitrantie, gevaren mee. Het gevolg was dat men een tussenweg koos. Men stuurde verkenners, missionarissen, geografen, militairen, met vage beloften en wat geschenken, en ontving in de hoofdstad een delegatie van Bonnis die men terugstuurde, ook met vage beloften en geschenken.(13) Deze vaagheid en ambivalentie leidden ertoe dat het Surinaamse gouvernement van de bedoelingen van het Frans- Guyanese geen duidelijk beeld kreeg (uit de toch a1 schaarse contacten). De Bonnis geloofden - of pretendeerden dat - de telkens hernieuwde beloften en brachten die berichten over aan de Djoekas. Waarschijnlijk ook om indruk te maken en geen gezichtsverlies toe te geven, gaven zij voor dat die beloften reeds gedeeltelijk waren ingelost. De voornaamste daarvan waren: Franse regeringsprotectie, het verschaffen van noodzakelijke gebruiksvoorwerpen en - dit was belangrijk - het verschaffen van wapens (geweren). De Djoekas brachten dit - via hun posthouder - weer aan het Surinaamse gouvernement over. Noch de Djoekas, noch het gouvernement wisten dus precies wat er aan de hand was. De onwetendheid van elkaars situatie, motieven en reacties hadden de gereleveerde onzekerheid van handelen van alle partijen ten gevolge.
Dat de Surinaamse regering ten slotte toch handelend optrad, de Djoekas weer aan zich wist te binden en de Bonnis met hun hulp tot ver in het Frans-Guyanese gebied achtervolgde was mede een gevolg van het feit dat Frankrijk de oorlog aan de Republiek had verklaard.
De mening van Wolbers (bladzijde 431) dat de Bonnis hun onverwachte aanval in 1788 deden vanuit een sterke basis, gesteund door Franse wapens, berustte dus op verkeerd geïnterpreteerde berichten. Integendeel: hun geïsoleerde positie, met als gevolg gebrek en interne moeilijkheden brachten hen tot de desperate poging nog eenmaal als vroeger wapens, mensen en gereedschappen van de plantages te bemachtigen.
II. De opstand der Zwarte Jagers: 1805
Aan het Korps Zwarte Jagers waren, zoals vermeld werd, een aantal Djoekas toegevoegd en, na de slag tegen de Bonnis in 1793, ook een aantal van deze groep. Hoewel zich na 1793 zo nu en dan nog moeilijkheden voordeden op plantages, waar negerslaven rebelleerden of wegliepen, en het Korps ingezet werd om de rust te herstellen, verminderde hun activiteit aanmerkelijk en daarmee discipline en strijdgeest.(14)
Tijdens het Engelse protectoraat (1799-1802) en tussenbestuur (1804-1816) was de kolonie financieel in een deplorabele toestand geraakt, evenals het verdedigingssysteem. De verschillende elkaar snel opvolgende gouverneurs trachtten met weinig succes orde op zaken te stellen. In die verwarde toestand brak op 7 September 1805 muiterij uit onder het Korps Zwarte Jagers, gedetacheerd op posten aan het Cordon Pad. Het gehele Korps bestond op dat moment uit 236 manschappen en twintig onderofficieren. Dertig man van de posten Imotapie en Oranjebo aan de Boven-Commewijne vermoordden een aantal blanken, haalden dertig slaven van een naburige plantage over mee te rebelleren en vluchtten naar de Marowijne, langs het pad dat leidde naar Armina, de militaire post aldaar. Ook daar werden blanken vermoord, het zwarte detachement voegde zich bij de rebellen, een ander van een kleinere rivierpost eveneens en gezamelijk trokken zo'n tachtig man de rivier op waar ze zich bij de Bonnis voegden. Gouverneur William Carlyon Hughes's (15) schreef bezorgde brieven aan Lord Castlereagh en Major General Beckwith, zijn chefs in Londen. Een detachement van zestig man (waaronder twintig Zwarte Jagers) onder majoor Roepel werd hen achterna gezonden maar zonder resultaat: de rebellen hadden Armina al bereikt, aangevallen en verlaten v66r iemand hen iets in de weg kon leggen. Hughes vroeg om versterking van de militaire macht: de bezetting van het Cordon was nu te klein en onbetrouwbaar, en hij vreesde een gezamenlijke aanval van de rebellen en de Bosnegers. Achtervolging vanuit Armina bleef achterwege na de moordpartij aldaar. In november van het zelfde jaar vielen de rebellen de post Armina opnieuw aan, maar deze, inmiddels versterkt, sloeg de aanval af. Hughes ging zich na deze aanval persoonlijk op de hoogte stellen in Armina en schreef er een verslag over naar Generaal Beckwith, op 29 januari 1806. (16) Na een zeer zware tocht, waarbij voorbij Armina een verlaten schuilplaats met hutten van de rebellen was gevonden, moesten Hughes en zijn mannen terugkeren. De bijzonder zware regenvallen maakten het passeren van de stroomversnellingen die tot ware watervallen waren aangezwollen, onmogelijk. Zij kwamen niet verder dan de 'Peter Zonken'-val, (dit is Pedro Soengoe val), schreef Hughes, zes dagen varen boven Armina.
De Bonnis hadden zich, naar gerapporteerd werd, zes dagen varens boven de vallen teruggetrokken.
Een jaar later werden vier rebellen, die zich 'uit behoefte aan vrouwen op een plantage in een hinderlaag lieten lokken, gevangen genomen en ter dood gebracht. Bij hun ondervraging bleek dat de muiters ook steun van de Djoekas hadden gekregen in de vorm van onderdak en kostgronden. Dit zijn de schaarse, bekende feiten. Zoals Wolbers schreef (17), schrik en angst vulden de gemoederen, maar de beweegredenen van de rebellie bleven voor hem in het duister.
Echter: tijdgenoten noch geschiedschrijvers beschikten over gegevens die licht konden werpen op de gebeurtenissen. Uit documenten in de Nederlandse en Engelse archieven blijkt dat er we1 degelijk een onderzoek naar de achtergronden van de zaak is ingesteld. Dit wees uit dat de rebellie niet uit de lucht kwam vallen en deel uitmaakte van een proces van gebeurtenissen dat ook na de rebellie nog doorwerkte. Het onderzoek werd ingesteld op verzoek van Gouverneur Hughes in 1806 en op 29 april ingeleverd door de Commissie van onderzoek: E. M. Schelkes, L. van Heinigen, H. Stockel, D. F.Schas en F. V. Heshuysen. Het rapport geeft advies over een reorganisatie van het Korps 'Colonial Chasseurs', en geeft een verslag van een onderzoek naar de redenen 'of the late disturbances and mutiny of part of the said Corps of Free Negroes.
Het rapport gaat uit van vier punten:
1. Organisatie van het Korps door het huidige (Engelse) Gouvernement en de daardoor ontstane onzekerheid ten aanzien van hun civiele en militaire situatie.
2. De plotselinge verbetering van salaris en uitrusting in 1799 en opnieuw in 1804.
3. De abrupte verandering van discipline van onvoldoende subordinatie naar plotselinge strikte militaire onderwerping.
4. Het toevoegen van een aantal Bonni-negers aan het Korps.
ad 1 . De Hoven van Politie en Justitie hadden bij de oprichting van het Korps welbewust gekozen voor een niet-militaire organisatie, en de voorkeur gegeven aan een vorm van 'interne militie' die, hoewel gebonden aan bepaalde vastgelegde regels, beter aangepast kon worden aan de specifieke aard van het Korps. Dit hield onder meer in dat overtredingen en misdaden niet onder militaire rechtspraak vielen maar door het Hof van Justitie werden berecht. De plotselinge overgang zonder voorafgaande uitleg van burgelijke naar militaire rechtspraak waarbij onder meer straffen werden uitgedeeld voor vergrijpen die voordien niet strafbaar werden geacht, veroorzaakte ontevredenheid 'among beings which are much less capable of reasonings than the Whites'. Aanvankelijk bleek die ontevredenheid slechts uit een verhoogde desertie of langere absenties, ondanks de verbeterde financiële situatie, de verhoogde : rantsoenen en nieuwe uitrusting.
ad. 2. Het Korps, samengesteld uit aangekochte slaven, beschouwde de minimale betaling, uitrusting en victualisering die ze sedert hun oprichting kregen reeds als een grote verbetering vergeleken bij hun slavensituatie. Hun leiders, de conducteurs, benoemd door de Hoven, en erkend als mensen die goed met hun Korps konden opschieten, stonden hun vrijheden toe die de stemming ten goede kwamen: zij mochten van tijd tot tijd hun familie op de plantages bezoeken en kregen gelegenheid te gaan jagen en vissen om hun magere rantsoenen aan te vullen. De plotselinge verbetering van hun materiële situatie had tot gevolg dat zij zich nu van alles konden en wilden aanschaffen, waar zij tot nog toe de behoefte niet aan hadden gevoeld 'most of them experienced the fate of many Whites, who frequently cannot bear the luxuries of life'. Het drinken van alcohol vooral nam toe, met het gevolg dat de leiders vaker en tot strenger straffen werden gedwongen als gevolg van excessen, dan voorheen.
ad. 3. Sedert de binnenlandse rust in de kolonie na de Bonni-oorlogen was hersteld, had het Korps veel van zijn nut verloren. Ze werden verwaarloosd door hun superieuren, die verzaakten hen actief bezig te houden met 'plichten', hun leiders waren niet m&r van het gehalte van hun vroegere 'conducteurs'. 'Idleness occasioned most of them to give free vent to their old habits and weaknesses.' In deze situatie begon Generaal Majard in 1799 verandering te brengen. Zonder zelfs het Hof erin te kennen werd het Korps onder militaire discipline geplaatst, zonder voorafgaande instructies over wat dit voor hen inhield, en zonder een periode van overgangsmaatregelen om hen aan de nieuwe situatie te doen wennen. De schrik en verwarring onder de Zwarte Jagers was groot.
ad. 4. In 1795-'96 en 1797 werden een aantal Bonnis bij het Korps ingelijfd, hoewel een aantal leden van de regering, die niet geloofden in de door de Bonnis gepretendeerde goede intenties 'to wipe away the stain of their crimes', ertegen was. Zij bleven echter, zoals pas na de rebellie bleek, geregeld contact houden met vrienden en familie bij de Bonnis door tussenkomst van de Djoekas. Dit contact werd vergemakkelijkt via de militaire post Armina, te meer daar, sedert het einde van de oorlog tegen de Bonnis het wantrouwen der blanken tegen de Djoekas zeer verminderd was. Ochs, de luitenant-bevelhebber van de post Armina, die door de rebellen werd vermoord, stond zijn mensen (het contingent Zwarte Jagers) veel toe: zij mochten vaak voor langere tijd weg. Het contact tussen Bonnis en Djoekas was frequent en zonder enige suspicie te wekken bereidden zij hun plannen voor: er werden kano's gebouwd, kostgronden aangelegd en schuilplaatsen gemaakt. Zonder deze voorzieningen vooraf waren de rebellen nooit in staat geweest de rivier over te steken en zich langere tijd schuil te houden in de buurt van de post Armina. Hoewel, zegt de commissie van onderzoek, het niet geheel vaststaat dat de rebellie zonder de aanwezigheid van Bonnis in het Korps niet zou zijn uitgebroken, heeft hun hulp zeer veel bijgedragen tot het succes ervan.
De commissie was van mening dat ook onder de niet-muiters van het Korps Jagers nog ontevredenheid bestond en raadde het Hof aan een onderzoek in te stellen naar de redenen, en maatregelen te nemen bijvoorbeeld door hen duidelijk te maken onder welke jurisdictie het Korps viel, en de wrijvingen tussen officieren en manschappen op te heffen, door hen gelegenheid te geven de bestaande klachten naar voren te brengen en die te onderzoeken. Wat van die laatste voorstellen terecht is gekomen is mij uit de archieven niet gebleken. Wat hun argumenten voor de ontevredenheid onder het Korps aangaat is het, afgezien van hun wat moraliserende toon, duidelijk dat deze tezamen voldoende redenen geven voor de opstand. De voornaamste was zonder twijfel de plotselinge verandering van organisatie: een betrekkelijk losse, aan de groepsbehoefte aangepaste discipline met 'conducteurs' die hun mensen niet als gewone militairen behandelden, en eerder optraden als 'condottieri' dan als hogere officieren, die omgezet werd in een op Europese militaire basis gebaseerde discipline met alle rigiditeit van dien. Een militaire stijl die bij de omstandigheden en de aard van de conflictsituaties van het land ook voor Europese militairen moeilijk te dragen was. Een andere, zeker ook belangrijke oorzaak was de toevoeging aan het Korps van een aantal Bonnis en - het rapport noemt dat niet expliciet - Djoekas. Nog afgezien van hun achtergrond van strijders tegen onderdrukking, en de psychische druk die het voor hen moest zijn nu tegen eigen mensen ingezet te kunnen worden, bleken ze ook nooit geheel het contact met hun groep verloren te hebben. Dit gevoegd bij de eerstgenoemde oorzaak maakt de rebellie in plaats van een duistere, integendeel tot een duidelijk verklaarbare zaak. Het argument van de commissie dat ze de weelde van een hoger soldij en betere uitmonstering niet konden verwerken lijkt minder aannemelijk. Men zou beter kunnen stellen dat de bestaande onlustgevoelens ook daardoor niet weggenomen konden worden. Het leven in het oerwoud zou in ieder geval een sterke verlaging van levensstandaard ten gevolge hebben en dat wisten de rebellen we1 degelijk. Niettemin verkozen zij de vrijheid. Het Korps heeft overigens nog vrij lang bestaan. De Encyclopedie van Nederlandsch West- Indië bladzijde 426 meldt dat het in 1818 van naam veranderde in 'Corps Koloniale Guides', en in 1834 nog eens in 'Compagnie Koloniale Guides'. Het werd tot 1830 nog aangevuld met negers, rechtstreeks (clandestien) uit Afrika aangevoerd, de 'zoutwaternegers', die goedkoper waren dan de slaven die van de plantages werden gekocht. Na 1840 werden de 'Roodmutsen' als roeiers gebruikt op de buitenposten.Het overgebleven groepje van enkele tientallen rebellen had zich met toestemming van de Djoekas op een eiland bij de samenvloeiing van de Tapanahoni en de Lawa in de Marowijne gevestigd: Poeloe Goedoe. Er is weinig over hen bekend. Wong zegt op bladzijde 316: 'Daar bij de oprichting van het Korps de grootst mogelijke selectie was toegepast, stonden zij in ontwikkeling hooger dan de doorsnee boschneger. De Aucaners stelden daarom op het behoud van deze groep geen prijs. Herhaaldelijk moest de posthouder rapporteren dat een 'rebel', van vergiftiging verdacht, levend was verbrand.' Niettemin heeft het dorp Poeloe Goedoe ook nu nog enkele tientallen inwoners, en deze worden als Redi Moesoe beschouwd.
III Hernieuwde verdrag met de Djoekas: 21 september 1809
In 1809 werd een nieuw verdrag gesloten met de Djoekas: een hernieuwing en een aanvulling van het vredesverdrag van 1760. Dit verdrag werd noodzakelijk geacht in verband met de in het voorgaande beschreven gebeurtenissen: de strijd tegen de Bonnis, de opstand der Zwarte Jagers en de houding van de Djoekas hierbij. Weliswaar hadden de Djoekas beloofd er zorg voor te dragen dat de Bonnis geen last meer aan de kolonie zouden bezorgen (in 1791) en hadden datzelfde gedaan voor de 'rebellen' in 1805, maar men wilde die beloften in een officieel verdrag vastgelegd zien. Dit drong te meer, daar de Djoekas in de jaren na de opstand van 1805 weer aanzienlijk verslechterd was. Ook hierover is in de officiële literatuur haast niets te vinden. Sommigen melden dat er een verdrag gesloten werd omstreeks die tijd, een enkeling maakt er melding van dat de Djoekas daarbij beloofden Bonnis zowel als 'Redi Moesoes' onder hun zeggenschap te zullen houden. Noch de wijze waarop het verdrag tot stand kwam, noch de precieze inhoud wordt vermeld. Ook hiervoor zal de oorzaak liggen in het feit dat de historici slechts in zeer beperkte mate de beschikking hadden over, of van het bestaan wisten van, de documenten die er betrekking op hadden. Ze waren gedeeltelijk geheim en lagen en liggen verspreid in Suriname, Nederland en Engeland.
Engelse en Nederlandse archieven en manuscripten van Mr. Adriaan François Lammens (19) leverden mij de hier volgende gegevens op. Op 10 juli 1807 schreef W. Hughes, gouverneur van Suriname sedert 1805, aan Lord Castlereagh weer een verontruste brief. (20) De Djoekas beklaagden zich bitter over het feit dat het Gouvernement zich niet hield aan de overeenkomst van 1760 en met name niet aan de toegezegde zending geschenken die hen op geregelde tijden gezonden moesten worden. "Zij hadden die al in geen jaren meer ontvangen en hadden bij monde van de posthouder aan het Gouvernement doen weten 'that if they do not obtain redress of those grievances, they will no longer restrain (as they had hitherto done) the Revolted Chasseurs from ravaging and plundering the plantations'. Hughes had a1 eerder, in december 1806, om toezenden van geschenken gevraagd, maar zonder resultaat; een verzoek om militaire versterking om eventuele aanvallen te kunnen afslaan werd evenmin ingewilligd.
Het wordt uit de correspondentie niet duidelijk wanneer de laatste uitdeling had plaatsgevonden. De laatste aanwijzing die ik zelf in de archieven vond, dateert van 1782, en daarin spreekt men van een driejaarlijkse uitdeling. De volgende zou dan plaats hebben moeten vinden in 1785, het jaar waarin zoals we zagen weer nieuwe aanvallen op de plantages werden ondernomen. In 1789 werd de strijd tegen de Bonnis hervat, de Djoekas speelden er een rol in, waarbij zij zich pas in 1793 duidelijk aan I de kant der blanken hadden geschaard. In 1799 werd de macht in Suriname door de Engelsen overgenomen, eerst tot 1802, daarna van 1804 tot 18 16. Politiek en economisch was de kolonie in grote verwarring en het is dus niet te verwonderen dat van een geregelde verzending van geschenken weinig terechtkwam, te meer waar ze voor het grootste deel uit Europa moesten komen, door het moederland worden betaald, en in het binnenland afgeleverd worden. Hughes was met het Hof van Politie van mening dat hernieuwde aanvallen van de Rebellen - en eventueel de Bosnegers - slechts door het snel zenden van geschenken kon worden voorkomen en schoot geld voor uit de 'Sovereign Chest, as far as fifteen thousand guilders, which will probably fall short of even half the expenses that must be incurred on this occasion'. De brief van Hughes had blijkbaar geen gevolgen, want 26 augustus 1809 schreef Graaf Charles Bentinck, die hem na zijn plotseling overlijden op 2 mei was opgevolgd, over hetzelfde onderwerp aan Lord Castlereagh. (22)
Hughes had, meldde Bentinck, stappen ondernomen om een einde te maken aan deze 'Melancholy Business' en de Djoekas tot het sluiten van een nieuw contract te bewegen en zij waren bereid daarop in te gaan. Het Hof van Politie had een commissie een ontwerpverdrag laten opstellen, dat op 23 augustus 1809 werd voorgelegd aan de 'Kleine of Conferentie Raad' onder voorzitterschap van Bentinck. Het conceptverdrag, de instructies voor de onderhandelaars, de lijst van presenten en de militaire escorte werd op 31 augustus 1809 door het Hof van Politie goedgekeurd. (23)
Het conceptverdrag luidde aldus:
Art. I dat het Vreedens Tractaat van de Jaaren 1760 hiermeede word verstaan te zijn hernieuwd en alzo te blijven in vollen kracht en waarde, nogthans onder de volgende Applicatie, en Alteratie, als
Art. II dat hierbij zal worden verstaan, dat al het voorgevallene met en omtrend de Rebellen van het Corps Coloniale Jagers niet kan begreepen worden als eenige betrekking hebben op welgemeend Tractaat van den Jaaren 1760, maar integendeel, dat zij Aucaaners zullen gehouden worden en Verplicht zijn, om bij de toekenning en bezweering van dit vernieuwd Verdrag, en bij het ontfangen der presenten, dadelijk uit te leeveren de Rebellen en de Weggeloopen Coloniale Jagers, immers voor zoverre Sij dezelven zullen kunnen machtig worden, ofte by volstrekte wegering van dien, dat Sy zig alsdan ten plegtigsten zullen verbinden, en de Regeering guarandeeren, dat gemelde rebellen, hetzij direct ofte indirect, niets zullen onderneemen teegens de Blanken ofte teegens hunne Eigendommen, en tot meerdere verzeekering van dien stellen twee Ostagiers, uit de Famille hunner Opperhoofden, dewelke gehouden zu!len zijn aan Paramaribo te resideeren, en daartoe van de Regeeringe een behoorlijk Onderhoud zullen genieten.
Alteratie art. II dat in gevalle de Regeering t' eenigen tijd goedvinden mogte, omme de gemelde Rebellen te Attaqueeren, Zy Aucaaners, niet a11één zig teegens eens zodanige Expeditie niet zullen verzetten of de Rebellen op eenigerby wyze, hetzy door het geeven van Schuilplaatzen of andersints te probeeren maar in allen opzichten behulpzaam zyn. Terwyl Zy Aucaaners tot meerdere verzeekering hiervan, zullen stellen twee Ostagiërs.
Art. III dat Sy in allen gevallen, dadelyk, by het teekenen en bezweeren van dit Verdrag, en het ontfangen der Presenten, zullen uitleeveren alle de weggeloopene Neegers van Plantagien zowel uit Surinamen, als andere Rivieren, welke zig nog onder hun bevinden, met plegtige Beloftenisse, omme ingevolge het vorige Tractaat van 1760 bij deezen hernieuwd alle de Weggeloopene Neegers, dewelke in het vervolg, en van tijd tot tijd, zig by hun 7ullen koomen te begeeven ofte door hun worden opgevangen, teegem de daartoe gestelde Premien dadelyk te zullen uitleeveren.
Art. IV dat zy meede gehouden en Verpligt zullen zyn ingevolge Art. 6 van het Tractaat van A* 1760 by het overlyden van hun Grootopperhoofd daarvan met den eersten kennisse aan de Regeering te geeven, met opgave van Syn Opvolger, ten einde dezelven kan worden geapprobeerd, en zal het getal hunner Opperhoofden of Loos geenzins mogen worden vermeerderd, maar bepaald blyven op denzelfden voet en inrichtinge als by het oude Tractaat is vastgesteld.
Art. V dat zy alle communicatie, vriendschap en verstandhouding met de Neegers van Bonie zullen afsnijden, 70 lange dezelven zig als Vyanden van de Regeering gedraagen, en hun uit hunne dorpen, en woon plaatsen doen verwyderen. Art. VI dat de Regeering daarenteegen aan hun accordeert, en toestaat by aldien zy lieden getrouw en getrouw blyven aan de conditien van dit en het voorige Verdrag, de ordinaire Jaarlyksche Presenten welke hun ieder jaar op de Post Victoria zullen worden overgegeeven.
Alteratie Art VI dat de Regeering hun voortaan in plaatse van om de drie Jaaren om de twee Jaaren presenten zoude geeven, enz.
Een deputatie werd naar de militaire post Hughesburg gestuurd, gelegen aan de Suriname-rivier, tegenover een zijrivier: de Sarakreek. Aan deze kreek zette zich de Djoeka-delegatie neer. De commissie - met militaire escorte - kwam op 10 September 1809 in Hughesburg aan. Het Grootopperhoofd Bambi, tezamen met de Hoofden van de Loo's (onderstammen) en verder gevolg waren reeds op 14 augustus aan de Sara-kreek aangekomen. Hun eerste vraag bij de ontmoeting van 11 september was dan ook om voedsel.
De onderhandelingen over het verdrag duurden tot 21 september. (24)
De Djoekas, als steeds harde onderhandelaars, stonden sterk. Hun dreigementen de rebellen toe te staan aanvallen op de kolonie te nemen, werden door de kolonie au serieux genomen, en meer dan dat: zij hielden een mogelijke overval van de Bosnegergroep of -groepen ook voor mogelijk. Hun eis om de hun toekomende presenten @ sturen werd ingewilligd. Hun in 1805 gedane belofte de rebellen te beletten de kolonie lastig te vallen wilde men contractueel vastgelegd zien. Daar hadden de Djoekas geen enkel bezwaar tegen: bij een hernieuwd contract konden ook zij nieuwe eisen stellen. In feite hadden zij bij de hele zaak dus alleen voordeel. Het handjevol rebellen en de verzwakte Bonnis bedwingen kostte hun geen moeite. Integendeel (en dat maakte hun dreigementen loos, iets wat de regering niet zag) zij hadden ook daar voordeel van: in ruil voor een verblijfplaats en de belofte hen niet uit te leveren verrichtten de rebellen (en de Bonnis) diensten. Wat dit verdrag betreft: bij de onderhandelingen weigerden de Djoekas dan ook rebellen of Bonnis uit te leveren: zij hadden een eed met hen gezworen dat niet te doen. Ook een aantal weglopers weigerden zij uit te leveren op grond van dit argument. Zij eisten en kregen een vrije doorvaart door de Wane-kreek (een rivier die de Marowijne met de Courmotibo, een zijrivier van de Cottica, verbindt), waardoor de verbinding tussen Marowijne - Cottica - Commewijne - Paramaribo veel korter werd. (Tot nog toe was de meest gebruikelijke verbinding via de Tapanahoni, de Tosso-kreek - een stuk over land - de Sara-kreek, de Suriname- rivier, naar Paramaribo, een lastig en langer parcours).
Toestemming voor het inwilligen van deze eis moest een lid van de commissie in Paramaribo gaan halen, aangezien zij geen volledige volmacht hadden. Ook moest de regering toestaan de eis alle weglopers én de rebellen uit te leveren, te laten vallen. De regering kon niet anders doen dan toegeven, gezien het dreigement van de Djoekas de onderhandelingen te zullen afbreken, en bovendien een dreigende slavenoptand op een aantal plantages te zullen steunen. (Ook hier school weer een flink element bluf in, maar de regering schrok terug voor elk risico.)
De eenentwintigste september 1809 werd het Verdrag officieel gesloten. Handtekeningen (kruizen voor de Djoekas) werden geplaatst, de 'Swerie' werd gedronken: blanken en Djoekas mengden wat bloed met drank en dronken daar allen van. De vijfentwintigste september werden op de post Victoria de geschenken uitgedeeld, waarbij elke Loo zijn deel kreeg, en het Groot Opperhoofd nog enkele speciale geschenken van de Gouverneur: een geweer met zilver gemonteerd, een vergulde houwer (kapmes), een jachtzak, een hoed met goud omboord en gepluimd, een deken, een koperen ketel en een koffieketel. Een lijst van de geschenken is in de archieven niet meer te vinden, maar we1 geeft A. von Sack, die in 1811 in Suriname was, hiervan een overzicht (op bladzijde 117-118):
52 geweren, 53 vaten buskruit i3 25 pond, 2000 pond schroot no. 0, 2000 vuurstenen, 547 neger-bijlen, 549 schoffels, 277 hakmessen, 306 messen met gele hechten, 122 scheermessen, 16 molenstenen, met assen en hand- vatsels, 111 tafelmessen, 115 scharen, 18 klisteerspuiten, - 34 lancetten tot aderlaten, 115 geelkoperen zwamdoosjes, 113 kleine spiegels, 2000 vishoeken, 2000 naalden,I 315 pond versierselen van allerlei soort, 615 pond kralen, meest witte, 34 hoeden voor Opperhoofden, 61 stukken vriesbont elk 50 yard, 11 stukken vriesbont elk 21 . yard, 220 rode Oostindische zakdoeken, 8 fijne hemden en 1 gedrukte nachtrok voor de Opperhoofden, 53 stukken Silesisch linnen, 64 vaten zout, 570 vaten brandewijn, 120 ijzeren potten, 460 ellen Hollands linnen, 4 vaten lampolie, 6 kisten met zeep, 2 kisten met kaarsen, 65 pond wit en zwart naaigaren, 1828 groene messen.
Bij een aantal resoluties, verbonden aan de hoofdpunten van het verdrag, hoorde ook de bepaling 'dat zij in het vervolg indien zij slaaven willen kopen, of kinderen die zij bij negerinnen aan Paramaribo of in de Rivieren hebben, zij eerst zig bij Heeren Gecommiteerden of die in Commissie zijn, zullen adresseeren.' Deze interessante clausule bewijst ten eerste dat de Djoekas geen bezwaar hadden tegen het instituut slavernij; ten tweede dat zij bij hun handel met de kustgebieden blijkbaar genoeg geld konden verdienen om zich een slaaf aan te schaffen (minstens driehonderd gulden) en ten derde dat hun contact met de bevolking zeer intensief kon zijn. Het uiteindelijke contract is in de archieven niet te vinden, maar we1 in deel XI1 afdeling 2 van de handschriften van mr. Adriaan François Lammens. Hier vinden we een verkorte versie van het gesloten contract, luidend:
Art. I Het vredesverdrag van 10 October 1760 vernieuwd met de navolgende amplificaties.
Art. 2 Aan hun wordt vergeven het sluiten van een vredesverdrag met de Bonni Negers en met de rebellen van 's Lands Vry Corps onder de volgende conditien.
Art. 3 Zij garanderen de kolonie tegen de aanvallen der Bonni Negers en de rebellen om het Vry Corps en in geval men hun wilde verdelgen, zullen zij zich onzijdig houden.
Art. 4 Ingeval er onder van het Vry Corps rebellerenden zullen zijn, die bevechten en geen schuilplaats verlenen, en zullen genieten f 250,- voor ieder die zij uitleveren.
Art. 5 Zij zullen ook attaqueren rebellerende slaven van de plantagien boven Commewijne, Perica, Cottica, die zij zullen dan niet herbergen en zich onthouden van de Bonni Negers gebieden; om iedere rebel van hun gevangen of gedood zullen zij genieten f 150,- en het terugbrengen van weglopers f 50,-.
Art. 6 Zij zullen overleveren 16 stuks weglopers van Gr00t en klein Juda.
Art. 7 De vijf overige weglopers onder hun zullen zij niet gehouden zijn uit te leveren.
Art. 8 Voor het uitleveren van de 16 stuks staat de regering hun de vrije doorvaart toe langs de Wane kreek tot Paramaribo. In de Wane kreek zal de regering een post houden, en worden hun enige plantagien aangewezen in hun weg, ten einde tegen het weglopen der plantagien negers te waken.
Art. 9 De Regering verbindt zich de door hun teruggebrachte slaven nimmer in militaire dienst te nemen en de eene Loo (gemeente) blijft voor de andere in het uitleveren der slaven aansprakellijk.
Art. 10 Zij zullen straffen de Aucaners welke zich vergrijpen aan de blanken en aan hun zullen die Aucaners welke kwaad gedaan hebben en degenen die bij de blanken zich verschuilen, op hun request aan hun overgegeven worden.
Art. 11 Zij blijven subject de militaire visitatie, doch zullen op een permissiebillet van de gouverneur de nodige jachtbehoeften in Paramaribo kunnen komen kopen.
Art. 12 Zij zullen geven twee gijzelaars, de regering za1 voor hun kost en logies zorgen.
Art. 13 De Regering zal bij hun een posthouder en resident en twee bijleggers houden. Zij zullen hem een goed logies bezorgen, tegen betaling zulllen zij om de 3 maanden een vaartuig met jongmans leveren, ook wanneer de posthouder een vaartuig tot zijn transport vordert.
Art. 14 Als zij zich getrouw gedragen zullen de presenten om de twee in plaats van om de drie jaren gegeven worden, te brengen aan de post Armina en het rouwgoed aan de Opperhoofden zoals gebruikelijk is.
Art. 15 Het getal der Opperhoofden of Lo mag niet vermeerderd worden, en daar op hun verzoek de doorvaart op de Sara-Creek vervangen wordt door de Wane-kreek zullen zij zorgen dat de Aucaners daarvandaan ook verhuizen en zich naar de Marowijne begeven.
Wat dit laatste artikel betreft: aan het terugtrekken van de Djoekas uit de Sara-kreek werd geen gevolg gegeven. Zij hadden zich daar a1 in 1793 gevestigd: Friderici moedigde hun verblijf daar aan. In 1830 woonden er driehonderd vijftig Djoekas in tien dorpen.25 De voornaamste verschillen met het conceptverdrag zijn, dat de regering de eis om alle weglopers en rebellen uit te leveren moest laten vallen, en aan de eis der Djoekas een doortocht door de Wane-kreek te krijgen moest toegeven. De zeggenschap van de Djoekas over de Bonnis werd hun door de regering in 1860 ontnomen, zeer tegen de zin der Djoekas.26 De beperkingen op de doorvaartroute naar Paramaribo (visitatie, passen, vaste aanlegplaatsen) werden in 1865 opgeheven.27 De verhouding tussen de Bosnegergroepen en de regering bleef nu redelijk goed, vooral omdat men zich op een enkele uitzondering na niet met elkaar bemoeide. Pas in de laatste jaren wordt het contact intensiever en is een proces van verandering ingezet.
Silvia de Groot - Amsterdam, 1970
(noten apparaat volgt)

