Ondrofeni sa leri ju, Tori's in Sranan Tongo


Michiel van Kempen & Peter Meel



Surinaamse letteren in meervoudig perspectief



De Surinaamse literatuur van na de onafhankelijkheid heeft eenopvallende ontwikkeling doorgemaakt. Afgezet tegen wat er voor 1975 gebeurde, zijn auteurs tal van nieuwe wegen ingeslagen. Een nieuwe wegen bestaat hieruit dat romans en dichtbundels die recentelijk zijn verschenen veel minder sterk een nauwe maatschappijbetrokkenheid uitdragen dan het gros van de vroegere teksten. Wat is er aan de hand? Welke ontwikkelingen voltrekken zich en hoe komt dat? Dat zijn de vragen die het uitgangspunt vormden voor het colloquium Surinamistiek dat op 29 november 2003 plaatsvond in Amsterdam. Onderzoekers probeerden vast te stellen naar welke werkelijkheid de literaire teksten verwijzen, in hoeverre deze literaire werkelijkheid overeenstemt met de historische werkelijkheid, welke visie de desbetreffende auteur op deze werkelijkheid ontvouwt en met welke literaire middelen deze werkelijkheid naar voren komt.

Vast staat dat het overgrote deel van de Surinaamse schrijvers nauw betrokken is bij wat er gebeurt in de samenleving. Suriname is nooit afwezig in hun werk, ongeacht of zij in of buiten Suriname verblijven, ongeacht de houding die zij tegenover Suriname innemen, ongeacht de thema's dienzij in hun werk aanroeren. In de meeste gevallen is deze belangstelling duidelijk aanwijsbaar en verlustigt de schrijver zich in het leveren van commentaar op de Surinaamse maatschappij. Soms gebeurt dit subtiel en terloops, soms op hoge toon en met uitroeptekens. Er zijn natuurlijk ook auteurs die zich uitvoerig documenteren alvorens hun licht te laten schijnen op de Surinaamse maatschappij; dat is in het bijzonder het geval bij schrijvers van historische romans.

Schrijvers verwerken in hun boeken een specifieke kijk op de werkelijkheid en verwoorden inzichten en opvattingen die men in geschriften van niet-literatorenvaak niet of anders gepresenteerd zal aantreffen. Hoewel historici zich hiervan bewust zijn, hebben zij de verhouding tussen literatuur en geschiedenis echter lange tijd als problematisch beschouwd. Romans en dichtbundels waren belangrijke cultuurgoederen en gewaardeerde uitingen van vooruitgang en beschaving, maar vanuit wetenschappelijk oogpunt suspect, zo niet onbruikbaar. In het bijzonder sociaal-economisch historici richtten zich op datgene wat tel- en meetbaar was en hadden geen oog voor wat zij afdeden als autonome producten van de verbeelding. Voor politiek-historici golden romans op zijn best als de artistieke verbeelding van historische handelingen en gebeurtenissen, die veel beter vanuit de oorspronkelijke bronnen geanalyseerd en begrepen konden worden. Onder invloed van het postmodernisme en het postkolonialisme is er vooral binnen de cultuurgeschiedenis steeds meer aandacht gekomen voor de maatschappelijke kennis die aan literaire werken kan worden ontleend. Kennis over samenlevingen, gemeenschappen en menselijk verkeer. In toenemende mate zijn onderzoekers ervan doordrongen geraakt dat romans,korte verhalen en gedichten aandacht vragen voor ambities, verlangens en dromen, voor illusies, obsessies en idealen, voor gevoelens en stemmingen, kortom voor die aspecten van het bestaan die zich niet in cijferreeksen en modellen laten vangen, maar die kenmerkend zijn voor de levensechtheid van maatschappelijke processen en ontwikkelingen. Meer historici zien tegenwoordig het belang in van dergelijke waarnemingen en zijn zich bewust van de complementaire rol die literatuurwetenschappers en historici kunnen hebben in het doorgronden van de maatschappelijke werkelijkheid.

De ontwikkelingsgang van de Surinaamse letteren is inmiddels grondig gedocumenteerd in enkele recent verschenen bloemlezingen en een omvangrijke literatuurgeschiedenis (Van Kempen 1993, 1995, 1999,2002 en 2003). Een aantal deelaspecten van die literatuurhistorie zijn uitputtend bestudeerdl en ook de sociale en politiek-culturele achtergronden waartegen de literaire tekstenmgelezen moeten worden, hebben de afgelopen jaren in verschillende studies aandacht gekregen (Cohen 1991; Meel 1997 en 1999; Jansen van Galen 2000; Gobardhan-Rambocus 2001; Marshall 2003). De artikelen in dit nummer willen dieptepeilingen geven naar verschillende aspecten van de literatuurontwikkeling. Om de jongste ontwikkelingen historisch relief te geven, achtten wij het noodzakelijk om ook de literatuur uit de koloniale tijd en uit de bloeiperiode van het nationalisme te belichten. Maar omdat het om niet meer dan acht dieptepeilingen gaat, kan deze collectie artikelen natuurlijk slechts een beperkte reikwijdte hebben, zowel naar historische tijd als naar onderwerp.
Zo wordt aan de opkomst van de geschreven volkstalen na 1975 slechts marginaal aandacht besteed. (2) De behandelde auteurs zijn in meerderheid urbaan georienteerd en bedienen zich overwegend van het (Surinaams-) Nederlands. Als het om de volkstalen gaat, wordt evenmin een andere complexe problematiek aan de orde gesteld: in hoeverre de opkomst van de volkstalen in de geschreven literatuur zich verhoudt tot het proces van natievorming. Hoe een literatuur, opgedeeld langs etnische lijnen, langzaam weg groeit van die opdeling, wordt uit de verzamelde bijdragen wel duidelijk. Of daardoor ook een spanningsveld ontstaat met de literatuur die nog een nadrukkelijk etnisch-cultureel stempel draagt, blijft buiten beschouwing. Geschiedschrijving en cultuurbeschouwing zijn niet los te zien van het subject: het persoonlijk perspectief en de voorkeuren van de onderzoeker bepalen de selectie van de feiten en het interpreterend kader waarbinnen die feiten geplaatst worden. Dit inzicht is gemeengoed geworden in alle takken van de menswetenschappen en is ons tot leidraad geweest bij de samenstelling van dit nummer. Telkens ontvouwen twee auteurs hun visie op hetzelfde onderwerp, zij het vanuit verschillende invalshoeken, al was het alleen maar omdat het om onderzoekers uit verschillende disciplines gaat. Zo bekijken Bert Paasman en Patricia Gomes de poezie van de 18de-eeuwse planter Paul Frangois Roos. Paasman, hoogleraar koloniale en postkoloniale cultuur en literatuur, neemt daarbij bewust een tegenwoordig weinig geapprecieerde positie in: hij tracht te kijken met de blik van Roos en zijn tijdgenoten. Historica Gomes kiest voor een ander perspectief. Zij plaatst de teksten van Roos in een historische context en benadrukt dat zijn poëzie als een vorm van verhulling, zelfrechtvaardiging en misleiding moet worden beschouwd. Opmerkelijk genoeg heeft de bijdrage van Gomes geresulteerd in een artikel dat niet minder sterk ideologisch gekleurd is, dan de koloniale blik die Paasman zich voor de duur van dit artikel eigen maakte.
De schrijversgeneratie van de jaren '60 komt aan bod in de bijdragen van Cynthia Abrahams en Peter Meel. Literatuurwetenschapster Abrahams werpt nieuw licht op de Caraibische contacten van de vlaggendrager van de nationalisten, R. Dobru. Historicus Meel analyseert het werk van een migrante, die als een onafhankelijke scepticus ten opzichte van Dobru gesitueerd kan worden: Bea Vianen. De jaren na de onafhankelijkheid krijgen aandacht in de stukken van Sharda Ganga en Jos de Roo. Theatermaakster Sharda Ganga onderzoekt de tendensen in het toneelleven van Suriname, terwijl criticus Jos de Roo de teksten van onder meer Hugo Pos, Mala Kishoendajal en Ellen Ombre bestudeert. Ganga en De Roo vinden elkaar in hun kritiek op het begrip 'identiteit'. Tenslotte wordt de verrassende opbloei van de vrouwenliteratuur in recente jaren van commentaar voorzien door Els Moor, uitgeefster en critica van De Ware Tijd Literair, en literatuurwetenschapster Isabel Hoving. Moor plaatst het werk van de nieuwe lichting debutanten in het perspectief van de Surinaamse literatuurgeschiedenis, terwijl Hoving aandacht vraagt voor de Caraibische context waarbinnen deze werken kunnen worden bekeken.
De meeste auteurs in dit nummer schrijven over Nederlandstalig proza. Wim Rutgers voorziet met zijn 'toegevoegde' bijdrage enigszins in de lacune door de Surinaamse poëzieproductie van de laatste jaren onder de loep te nemen. Naar werkwijze sluit Rutgers aan bij de andere auteurs, die alle sterk tekstgericht zijn of die trachten teksten in hun historische context te plaatsen. Institutionele aspecten van literatuur (het literatuurbedrijf met uitgeverijen, boekhandels, recensenten, schrijversorganisaties etc.) blijven in hun bijdragen buiten beschouwing. Deze aspecten komen wel aan de orde in het artikel van Michiel van Kempen, die een eerste onderzoek opzette naar het leesgedrag van Surinamers en daaruit probeerde af te leiden hoe de canon van veelgelezen werken in de laatste decennia veranderd is.
Dit nummer bevat voorts enkele niet eerder gepubliceerde literaire teksten van Antoine de Kom, Thea Doelwijt en Annel de Noré. Hun werd gevraagd in literaire vorm te reflecteren op hun eigen werk. Daarmee werd tegelijkertijd een derde perspectief geopend op de verschillende tijdvakken die de revue passeren.

Als de leeftijd van de autochtoon-Surinaamse literatuur wordt geschat op 250 jaar, dan laat het literair-historische beeld zien dat telkens tegen het einde van de eeuw - de 18de, de 19de en de 20ste - de letteren een bloei doormaakten. Nu, aan het begin van de 2lste eeuw, kan voor het eerst worden vastgesteld dat de bloei zich over de eeuwwende heen handhaaft. Dat is een bemoedigend teken voor een sterk in beweging zijnde literatuur, waarvan in dit nummer slechts een deel aan bod kon komen en dat onderzoekers nog tot in lengte van dagen zal bezighouden.

-1 Bijvoorbeeld Paasman 1984 over de koloniale literatuur en Price & Price 1991 over de orale literatuur van de Saamaka.

2 Op het colloquium leverde schrijver-dichter Rabin Baldewsingh een vlammend statement af over de opkomst van de Surinaams-Hindostaanse literatuur. Hij gaf als zijn rnening ten beste dat daarin 'werk op hoog niveau, laat staan een meesterwerk, nog ontbeert.'



LITERATUUR

Cohen, Robert, 1991
Jews in another environment: Surinam in the second half of the eighteenth century. Leiden: Brill. (Brill's series in Jewish studies 1.)

Gobardhan-Rambocus, Lila, 2001
Onderwijs als sleutel tot maatschappelijke vooruitgang: Een taal- en onderwijsgeschiedenis van Suriname, 1651-1975. [Zutphen]: Walburg Pers. (Diss.)

Jansen van Galen, John, 2000
Hetenachtsdroorn. Suriname, erfenis van de slavernij. Naar een idee en met medewerking van John Albert Jansen. Amsterdam/Antwerpen: Contact.

Kempen, Michiel van (red.), 1993
Prive-Domein van de Surinaamse letteren. Het Surinaamse literatuurbedrijf in egodocumenten en verspreide teksten. Samengesteld, van een inleiding en toelichtingen voorzien door-. Paramaribo: Surinaams Museum. (Mededelingen van het Surinaams Museum, nr. 51, november 1993.)

Kempen, Michiel van (red.), 1995
Spiegel van de Surinaamse poezie. Bijeengebracht, van een inleiding en aantekeningen voorzien door -. Amsterdam: Meulenhoff.

Kempen, Michiel van (red.), 1999
Mama Sranan: twee eeuwen Surinaamse verhaalkunst. Samengesteld, ingeleid en van aantekeningen voorzien door -. Amsterdam: Contact. (2de druk 2000.)

Kempen, Michiel van, 2002
Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur. Paramaribo: Okopipi. (Diss.; 5 delen in 4 banden).

Kempen, Michiel van, 2003
Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur. Breda: De Geus. (2 delen).

Marshall, Edwin Kenneth, 2003
Ontstaan en ontwikkeling van bet Surinaams nationalisme. Natievorming als opgave. Delft: Eburon. (Diss.) Meel, Peter, 1997
Op zoek naar Surinaamse normen. Nagelaten geschriften van Jan Voorhoeve (1950-1 961). Geselecteerd, ingeleid en van aantekeningen voorzien door -.Utrecht: CLACS & IBS. (Bronnen voor de Studie van Suriname 20.)

Meel, Peter, 1999
Tussen autonomie en onafhankelijkheid. Nederlands-Surinaamse betrekkingen 1954-1961. Leiden: KITLV. (Caribbean Series 19.) (Diss.)

Paasman, A.N., 1984
Reinhart: Nederlandse literatuur en slavernij ten tijde van de verlichting. Leiden: Martinus Nijhoff. (Diss.)

Price, Richard & Sally Price, 1991.
Two evenings in Saramaka. With musical transciptions by Kenneth M. Bilby. Chicago etc.: The University of Chicago Press.


Uit: OSO, Tijdschrift voor Surinamistiek, Mei 2004 :Stichting IBS