
Lees meer over muziek in Suriname
Op mijn wekelijkse wandeling over de vrijdagse boekenmarkt op het Spui in Amsterdam speurde mijn oog gewoontegetrouw naar boekjes over Suriname. Ik had bijna alle kramen tevergeefs aan gedaan. Er was bijzonder weinig te vinden. Bij de laatste kraam leek alles goed te komen. Mijn oog viel op een uitgave van de Koninklijke Vereniging "Koloniaal Instituut". Een dun klein bruin papieren boekje met de veelbelovende titel: "Een en ander over de negroide muziek van Suriname".
De Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië noemt onder, "Tooneel" (p.683, 1916)
de volgende namen van toneel-genootschappen die in Suriname hebben bestaan: Kunstliefde spaart geen Vlijt. Door IJver bloeit de
Kunst. De verrezene Phoenix. Kunst wordt door Arbeid verkregen. Oefening kweekt Kunst. De Eendracht. Thalia. Polyhymnia. Melpomene.
Oefening baart kennis. L'Union fait la Force. Dillettantenclub. Sociable Dramatic Club. - Hieraan kunnen wij toevoegen het
genootschap ,,Honny soit qui mal y pense", dat omstreeks 1820 toneeluitvoeringen in Paramaribo gaf. In de Encyclopaedie lezen
wij verder: ,,Wat deze liefhebberij tooneelen hebben vertoond en hoe het met hen afliep, kon niet worden nagespoord". Lees meer over Vermaak in Suriname |
"Bij lieden uit de volksklasse wordt de lijkkist veelal op een baar gedragen, door een zestal mannen in het wit, (rouwkleur) met een zwarten hoogen of ronden hoed op. Een bedienaar der begrafenissen in rok gaat vooraf. De statie wordt gevolgd door eveneens in het wit gekleede vrouwen. Bij het omgaan van een hoek loopen de dragers in sleependen tred en schuiven met de voeten over den grond; volgens oeroude opvatting zou hierdoor de kwade geest worden verjaagd. Intusschen bleef het gebruik in zwang."
(Onze West in Beeld en Woord. Amsterdam: J.H. de Bussy, 1929)
Voedsel in Suriname
"Zout en peper behoren tot de gewichtigste behoeften van de Negers, en hoe zouden ook de soms ongeloofelijke menigte van taaije spijzen, die met eene zekere gulzigheid genomen worden, verteren, indien daartoe niet het zout en veel peper dienden. De Neger is, overigens, niet kiesch; hij verteert, met graagte, niet zelden visch, vleesch of spek, waaraan reeds een merkelijke graad van bederf aanwezig is; de gewone drank is water; wanneer zij het hebben kunnen, drinken zij gaarne 's morgens switie watra, dat is, heet water, met likka of melassie zoet gemaakt; velen beminnen den sterke drank, en hun liefde is dram, een drank, welke van het schuim en andere uitwerpsels van het suikersap gedistilleerd wordt, soms zoo sterk, maar slechter dan versche rum."
Uit: F.A. Kuhn. Beschouwing van den toestand der Surinaamsche Plantagieslaven, Amsterdam, 1928.
Iets over de kotomisi
Was het 'paantje' de meest voorkomende dracht van de slavin in het begin van de 18e eeuw, in de tweede helft
van deze eeuw is de rok al 'mode' geworden. De lendedoek die door Herlein paantje genoemd wordt, krijgt van
Fermin de benaming 'pagne' (1770:119). Hartsinck (1770) spreekt nog wel over een paantje, maar dan als een kledingstuk van de
slaaf. De slavin daarentegen draagt volgens hem een korte rok van Osnabrugs linnen. Op grote feesten,
weliswaar de christelijke feesten Pasen, Pinksteren en Kerst, van hun 'Meesters', "(...) schikken de Vrouwen zich op met
gebloemd Katoene of Salempouri Rokken, en een Zyde Halsdoek aan de rechterzyde afhangende; en de Mans met bonte Hembden en gestreepte
Musquite Broeken (...)" (Hartsinck 1770:913).
Aan het eind van de 18e eeuw ontstaat een vroege vorm van het kotomisi-type. Blom geeft hiervan een goede beschrijving: "(...), de vrouwen hebben somwylen twee en drie rokken aan, met een stuk lynwaat dat zy om haar lichaam slingeren: die beter gegoed zyn hebben een hemd en een jakje aan, van linnen, chitse of neteldoek; ook braceletten van goud of coraalen aan armen en beenen, alsmede eene menigte halssieraadjen:(...)." (Blom 1786: 388-9). Dat de vrouwen twee of drie rokken droegen, kan een gevolg zijn van de destijds heersende Europese mode, die misschien in trek was bij Surinaamsche schonen, weliswaar met hun eigen voorliefde voor kleur en patronen, waardoor het uiterlijk zeer eigen werd. In de Europese kleding in de tweede helft van de 18e eeuw werd namelijk getracht de rok zo wijd mogelijk te laten uitstaan; dit werd bereikte door middel van baleinen die in de onderrok werden genaaid. Minder welgestelden droegen ter verbreding diverse onderrokken. De Europeanen in Suriname, hoewel ver van het modegevoelige Parijs verwijderd, volgden de mode zeer getrouw; het paste immers in de sfeer van pracht en praal waarmee men zich omringde.
Uit: Let them talk. Mededelingen van het Surinaams Museum. Oktober 1988, nummer 43.
Aan het eind van de 18e eeuw ontstaat een vroege vorm van het kotomisi-type. Blom geeft hiervan een goede beschrijving: "(...), de vrouwen hebben somwylen twee en drie rokken aan, met een stuk lynwaat dat zy om haar lichaam slingeren: die beter gegoed zyn hebben een hemd en een jakje aan, van linnen, chitse of neteldoek; ook braceletten van goud of coraalen aan armen en beenen, alsmede eene menigte halssieraadjen:(...)." (Blom 1786: 388-9). Dat de vrouwen twee of drie rokken droegen, kan een gevolg zijn van de destijds heersende Europese mode, die misschien in trek was bij Surinaamsche schonen, weliswaar met hun eigen voorliefde voor kleur en patronen, waardoor het uiterlijk zeer eigen werd. In de Europese kleding in de tweede helft van de 18e eeuw werd namelijk getracht de rok zo wijd mogelijk te laten uitstaan; dit werd bereikte door middel van baleinen die in de onderrok werden genaaid. Minder welgestelden droegen ter verbreding diverse onderrokken. De Europeanen in Suriname, hoewel ver van het modegevoelige Parijs verwijderd, volgden de mode zeer getrouw; het paste immers in de sfeer van pracht en praal waarmee men zich omringde.
Uit: Let them talk. Mededelingen van het Surinaams Museum. Oktober 1988, nummer 43.
Carl Haarnack
![]() |
"Koto Missie" (Koto= rok, missie= juffrouw)
Zoo worden de vrouwen genoemd, die de inlandsche kleeding dragen. Deze bestaat uit een wijduitstaande, stijfgestreken, gebloemd katoenen (calico) rok en een kort, meestal laaguitgesneden jakje. Als hoofdbedekking wordt hierbij gedragen een eveneens stijfgestreken op eigenaardige wijze geknoopte vierkante doek. Deze klederdracht wordt langzamerhand verdrongen door de Europeesche.
(Onze West in Beeld en Woord. Fred. Oudschans Dentz en Herm. J. Jacobs. Amsterdam: J.H. de Bussy, 1929)
Zoo worden de vrouwen genoemd, die de inlandsche kleeding dragen. Deze bestaat uit een wijduitstaande, stijfgestreken, gebloemd katoenen (calico) rok en een kort, meestal laaguitgesneden jakje. Als hoofdbedekking wordt hierbij gedragen een eveneens stijfgestreken op eigenaardige wijze geknoopte vierkante doek. Deze klederdracht wordt langzamerhand verdrongen door de Europeesche.
(Onze West in Beeld en Woord. Fred. Oudschans Dentz en Herm. J. Jacobs. Amsterdam: J.H. de Bussy, 1929)
surinamica@gmail.com




